is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat de raad van justitie te Padang zicli bij zijne beschikking van 11 April 1898 mede onbevoegd verklaarde om van de bovenbedoelde feiten kennis te nemen, omdat art. 2 van Staats, blad 1874 no. 94a wel is waar art. 1 van Staatsblad 1867 no. 10 in dien zin uitbreidde, dat het daaronder ook Inlandsche hoofden als den verdachte bracht, maar bij dat laatste artikel ook slechts wordt bepaald, dat tegen Inlandsche vorsten, rijksbestierders, regenten en onderregenten, zoolang zij niet als zoodanig zijn afgetreden of uit hun ambt ontslagen, zonder verlof geen strafvervolging mag worden ingesteld;

dat die uitbreiding echter, — daar in dat geval de wetgever dat even uitdrukkelijk had moeten zeggen, — niet tevens toepasselijk kan worden geacht op het bepaalde bij art. 3a van laatstgenoemd Staatsblad en de verdachte dus door zijn ontslag het bij art. 2 ook aan hem gegeven forum privilegiatum dier hoofden heeft verloren;

O. dat volgens art. 260 van het Reglement op de Strafvordering regeling van rechtsgebied zal kunnen plaats hebben, onder andere wanneer onderscheidene rechterlijke collegiën of rechters, door een van welke de strafzaak noodwendig behoort te worden berecht, zich hebben onbevoegd verklaard om daarvan kennis te nemen en dit geval zich onderwerpelijk voordoet;

O. dat bij art. 2 van het Koninklijk besluit van 29 April 1892 (Staatsblad 1894 no. 94a) met uitbreiding van dat van 3 November 1866 no. 73 (Staatsblad 1867 no. 10) is bepaald, dat de larashoofden, de koeriashoofden en alle andere bezoldigde Inlandsche hoofden binnen het Gouvernement Sumatra's Westkust, die, onder welken titel ook, gezag over de eigenlijk gezegde inlandsche bevolking uitoefenen en aan geen ander inlandsch hoofd dadelijk ondergeschikt zijn, gerekend worden begrepen te zijn onder de personen, genoemd in art. 1 van laatstgemeld Koninklijk besluit, namelijk de inlandsche vorsten, rijksbestierder regenten en onderregenten;

O. dat de bewoordingen van dit voorschrift geene andere uitlegging gedoogen dan dat het geheele Koninklijk besluit van 3 November 1866 voor zoover daarin van inlandsche vorsten,