is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. toch dat in dit geval het incidenteel appel behoort gepasseerd te worden, daar toch, waar geintiraeerde bij het dictura van het vonnis zoo weining was bezwaard dat hij bij antwoord in appel tot bekrachtiging van dat vonnis concludeerde, incidenteel appel onnoodig was, immers aan geintiraeerde den weg openstond om bij antwoord zijne grieven tegen het vonnis, waarvan in zijn geheel was geappelleerd en dat derhalve in zijn geheel aan de beoordeeling van den appèlrechter was onderworpen, in het midden te brengen en dienovereenkomstig te concludeeren;

Gelet op de aangehaalde wetsbepalingen en op art. 58 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering;

Rechtdoende in hooger beroep:

Passeert het incidenteel appel. Doet te niet het principaal appel. Ontzegt aan appellant zijn eisch incidenteel subsidiair in appel. Bekrachtigt het vonnis waarvan appel. Veroordeelt appellant in de kosten van het hooger beroep.

Zitting van 22 Februari 1894.

Voorzitter: als voren.

Art. 1178 B. W. — Onherroepelijke machtiging.— Lastgeving.

De onherroepelijke machtiging in art. 1178 Burg. Welb., hoezeer in vele opzichten verschillende van de gewone lastgeving, moet evenwel als eene machtiging of lastgeving worden aangemerkt. De schuldeischer die krachtens die onherroepelijke machtiging het verhonden goed verkoopt, doet dat evenmin op eigen naam als hij, die krachtens een gewone volmacht verkoopt, en is even als deze verplicht tot het doen van rekening en verantwoording. Op een paar bij de wet gemaakte uitzonderingen na geldt als algemeene regel dat de lasthebber, die in naam des lastgevers met een derde handelt, niet zich zeiven aan dien derde verbindt.