is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der zaak de ter bezichtiging gevraagde voorwerpen moesten dienen; integendeel die namen hun zoo goed als volslagen onbekend waren;

dat, wat nu de door verdachte geschreven en met de namen „van Fliett" en „Meister" geteekende stukken betreft, deze zoo geheel onbestemd van inhoud zijn, dat zij tegen den persoon, wiens naam gebezigd is geworden — gesteld hij bestond — geen legalen titel of bewijs zouden kunnen opleveren, weshalve, bij onmogelijkheid van oenadeeling, ook geen valscliheid in onderhandsch geschrift aan beklaagde ten laste kan worden gelegd:

O. dat het vonnis a quo mitsdien behoort te worden goedgekeurd ;

Gelet op art. 68 en 7 2 van het Reglement op de Strafvordering voor de raden van justitie op Java enz.;

Rechtdoende:

Doet te niet het verzet.

Keurt goed de uitspraak van den raad van justitie te Batavia, d. d. 21 April 1894, waartegen verzet.

REVISIE.

HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCII-INDIE.

(Tweede Kameii).

Raadkamer van 17 Mei 1894.

Voorzitter: Mr. H. van Dissel.

Art. 357 Straiw. voor Inl. — Moedwillige brandstichting met en zonder gevaar voor menschiinlevens.

liet al of niet te voorzien zijn van gevaar voor eenig menschenleven vormt een element van de strafbare brandstichting.

Indien door den President van de rechtbank van omgang de terechtstelling van een beklaagde is bevolen ter zake, dat hij