is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rechtdoende:

Veroordeelt den beklaagde terzake in het vonnis vermeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van twee jaren, met dien verstande, dat hij hiervan alsnog zal hebben te cftidergaan een jaar en acht maanden.

Bekrachtigt overigens het vonnis.

Veroordeelt den beklaagde bovendien in de kosten in revisie gevallen.

Raadkamer van 25 Juni 1894.

Voorzitter: als voren.

Art. 246 Inl. Regl.— Acte van beschuldiging.

De acte van beschuldiging moei bevatten de daad, waaraan de beklaagde zich zou hebben schuldig gemaakt, welke daad geene andere kan zijn dan die vermeld in de acte van verwijzing.

Wanneer de acte van beschuldiging slechts heling ten laste legt, terwijl de beklaagde mede ter zake van den diefstal zeiven is verwezen, moet het Openbaar Ministerie met zijne acte van beschuldiging niet ontvankelijk worden verklaard.

HET HOOG GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gezien de stukken van het gerechtelijk onderzoek in de zaak van den beklaagde Soeroredjo alias Wakidin en het in die zaak op 21 April 1894 door den landraad te Blora gewezen vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan : „diefstal met buitenbraak in een bewoond huis, onder eene verzachtende omstandigheid", en deswege verooi deeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van twee jaren, alsmede in de kosten van het geding, met uitzondering van die, gemaakt ten aanzien van zijn medebeklaagde Bjoleksono alias Pandi, welke behooren te komen ten laste van den Lande en met last tot teruggave der stukken van overtuiging op de wijze als nader in het vonnis is omschreven ;