is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maart 1892 geëindigd en. hij als procuratiehouder van appellant afgetreden was, zoodat geintiraeerde niet gerechtigd is om over de zes maanden na de opzegging van het contract loon te vorderen ;

III. dat niet gezegd wordt over welke maanden door geïntimeerde loon wordt gevorderd, zoodat noch appellant noch de rechter kan beoordeelen of dat loon verschuldigd is;

IV. dat de strekking van geintiuieerde's eisch in het duistere ligt, immers daaruit niet voldoende blijkt of geintimeerde beweert, dat appellant hem bij zijn brief van 22 Februari 1892 het contract op zes maanden heeft opgezegd, dan wel dat voor het hem (geintimeerde) op 27 Februari gegeven onmiddellijk ontslag krachtens artikel 8 van het contract geen termen bestonden, in welk laatste geval geintimeerde wel tot schadevergoeding, maar niet tot betaling over de na de opzegging verloopen zes maanden, dat is tot nakoming van het contract, had kunnen ageeren;

V. dat in de introductieve dagvaarding door den thans geintimeerde uitdrukkelijk is gesteld, dat hij op last van gedaagde (thans appellant) zijn beheer op 1 Maart 1892 heeft overgegeven aan zijn opvolger P. H. Tromp, en dit posituin, zonder dat daarbij sprake is, hetzij van eenig protest of reserve van rechten van de zijde van geïntimeerde, hetzij van het zich na dien tijd ter beschikking houden van appellant, in zich sluit de erkenning van geintimeerde, dat hij vrijwillig heeft gevolg gegeven aan en dus genoegen heeft genomen met appellante's handelwijze, en hij mitsdien daartegen thans niet meer kan opkomen;

O. ad Ium:

dat het nergens bij de wet als een vereischfe is gesteld, dat de ontvankelijkheid eener vordering, die op een contract is gebaseerd, afhankelijk is van de omstandigheid, dat op het oogenblik van het instellen dier vordering, het contract waaraan die vordering ontleend wordt alsnog tusschen partijen bestaat, gelijk het dan ook in casu alleen de vraag is, of de oorspronkelijk gedaagde, thans appellant, tot op het eind van zijn contract,