is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op het Grootboek, behoorende tot het vermogen der opgeroeide minderjarigen, van dat Grootboek te doen afschrijven, te verkoopen en de opbrengst daarvan onder eigen beheer te nemen;

Gelezen de ingevolge 's Hofs préparatoire beschikking van den £6sten Juli 1894 overgelegde grosse der beschikking van den - Raad van Justitie voormeld, ddo. 26 Juni 1886, waarbij het beheer over het vermogen harer bovengenoemde minderjarige kinderen aan Mevrouw de weduwe Gutteling, geboren Tijndall de Veer is ontnomen, met opdracht van dat beheer aan de Weeskamer te Soerabaja;

O. dat tengevolge dier beschikking, nadat ze in kracht van gewijsde was gegaan, alle rechten en verplichtingen, welke aan de voogdesse met het oog op dat beheer toekwamen, op de Weeskamer voormeld overgingen, en de voogdes alleen belast bleef met het toezicht over de personen der minderjarigen;

O. dat de Weeskamer mitsdien ook het recht verkreeg om den Raad om de onderwerpelijk gevraagde machtiging met betrekking tot dat beheer te verzoeken, en deze haar derhalve ten onrechte door dat rechtscollege op de daarvoor aangevoerde gronden is geweigerd;

O. dat het verleenen dier machtiging den Hove evenwel daarom niet wenschelijk voorkomt, omdat dit niet wordt geacht in het belang der pupillen te zijn, nu de Weeskamers in de tegenwoordige tijden slechts zulk een gering bedrag meer aan renten aan haar geadministreerden uitkeeren, dan deze van eene belegging in efïekten Nederlandsche werkelijke schuld genieten, terwijl deze laatste bij inschrijving op het Grootboek daarbij voor kapitaal en renten zooveel meer zekerheid aanbiedt;

O. dat op dien grond derhalve 's Raads beschikking desalniettemin behoort te worden bekrachtigd;

Gelet op artikel 338 van het Burgerlijk Wetboek in zijn verband met artikel 17 der Overgangsbepalingen;

Beschikkende in appèl:

Bekrachtigt de beschikking van den Raad van Justitie te Soerabaja van den 26sten Mei 1894, waarvan appèl.