is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de in het visum repertum van den Officier van Gezondheid Alin omschreven wonden eerst in acht dagen genezen waren, en dus niet vallen onder de onbeduidende kwetsuren, bedoeld in art. 280 van het Strafwetboek voor Inlanders, doch onder de kwetsuren, waarvan sprake is in het eerste lid van art. 227 van dat Wetboek;

O. dat de opgelegde straf, hoewel dientengevolge niet op de wet gegrond, echter bij gebreke van een eisch a minima behoort bekrachtigd te worden;

O. dat alzoo 's Krijgsraads vonnis ten aanzien der qualificatie behoort verbeterd, doch overigens bekrachtigd moet worden;

Gelet op de aangehaalde wetsbepalingen, zoomede op de artf. 50 en 58 van 's Hofs Provisioneele Instructie;

Rechtdoende:

In naam en van wege de Koningin !

Doet te niet het appèl.

Verbetert het vonnis, waarvan appèl.

Verklaart den beklaag le, thans appellant, schuldig aan: „het moedwillig toebrengen van kwetsuren, geene ziekte of onbekwaamheid tot persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen ten gevolge gehad hebbende".

Bekrachtigt voor het overige het vonnis.

Verwijst den thans appellant nog in de in appèl gevallen kosten en misen der Justitie, mitsgaders in die van den processe.

Zitting van 21 September 1894.

Voorzitter: als voren.

Abt. 104 Crim. Wetb.—Valsche verlofpas.—Ontslag van rechtsvervolging.

Een fuselier, die voor zekeren tijd naar een bepaalde plaats met verlof vertrokken, en binnen den toegestanen tijd teruggekeerd, in zijn verlofpas valschelijk het visum van den militairen commandant dier plaats heeft gesteld en zich van dal valsche stuk heeft, bediend, door het bij zijne terugkomst in zijn garnizoen ter viseering aan den fungd. plaatselijk adjudant aan le bieden,