is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zonder de nuttige laYfy-instelling zouden duizenden vrouwen op Java tot hongerlijden gedoemd zijn, tenzij zij zich aan de prostitutie wilden wijden of wel priesterraden vonden, die om harentwille de bepalingen der wet omtrent de fasch verkeerd wilden toepassen.

Het laatste der hoofdstukken (Hoofdstuk 32), die met het huwelijksrecht verband houden, geeft een en ander over de opvoeding der kinderen, en de daarna volgende hoofdstukken (33—40) kan men als eene elementaire handleiding voor den Mohammedaanschen rechter, meer in het bijzonder voor onze priesterraden beschouwen.

W'aar onze auteur de bewijsmiddelen bespreekt, heeft hij met vooralsnog niet geheel te overwinnen moeilijkheden te kampen. Het Sjafi'itisch recht erkent geenerlei schriftelijk bewijs, alleen het (niet onder eede af te leggen) getuigenis van personen, die aan zoo hooge godsdienstige en inoreele eischen voldoen, dat vaischheid zoo goed als uitgesloten is. De vereiscbten, die de wet aan den getuige stelt, zijn echter zoo zwaar, dat men althans in onzen tijd bijna zou moeten wanhopen aan de mogelijkheid om ook maar een enkel feit door getuigen te doen staven. Daarom hebben vele latere wetgeleerden gemeend,- dat inen zich bij gebreke van zulke getuigen mocht tevreden stellen met het getuigenis van de meest betrouwbare soort van Mohammedanen, die te vinden zijn. Deze leer is echter niet algemeen aangenomen, en afgezien daarvan heeft de ontwikkeling van Staat en Maatschappij, die onafhankelijk van de M ihammedaansche wet haren loop had, te weeg gebracht, dat men thans alom, ook in Mohammedaansche landen, feitelijk ineer gewicht hecht aan ambtelijke of ambtelijk gewaarmerkte schrifturen dan aan hetgeen door twee personen wordt verklaard. Nu zouden de „geestelijke" rechtbanken zonder twijfel het gebied harer bevoegdheid nog meer doen inkrimpen dan reeds het geval is, door hardnekkig aan het verouderde standpunt der wet vast te houden.

Het gaat evenwel niet gemakkelijk, een beginsel van eene wet, die zichzelve goddelijken oorsprong toekent, ter zijde te stellen; van daar, dat geene wetgeleerde autoriteit het tot dus-