is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog gezien de stukken, waaronder een aan het Hoog-Gerechtshof door den requirant toegezonden memorie van cassatie, gedagteekend Patjitan 24 September 1894, waarvan echter niet blijkt dat ze aan de wederpartij is beteekend;

O. dat artikel 192 in zijn verband met artikel 198 van het zoogenaamde Inlandsch Reglement voorschrijft, dat de verklaring, dat men van het middel van cassatie wil gebruik maken, door den requirant of diens daartoe bij authentieke acte bijzonder gevolmachtigde voor den Griffier van den Landraad moet worden afgelegd;

dat hieruit volgt, dat in elk geval een persoonlijke verschijning tot dat doel, hetzij van den persoon die cassatie verlangt, hetzij van diens gemachtigde, wordt vereischt, doch een schriftelijke mededeeling van dat verlangen, zooals onderwerpelijk heeft plaats gehad, als niet voldoende aan de opgemelde bepalingen, niet als een behoorlijke aanteekening van cassatie kan worden aangenomen;

O. dat de requirant daarmede dus niet ontvankelijk behoort te worden verklaard;

Gelet op de bovenaangehaalde wetsbepalingen en de artikelen 58 en 432 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering;

Rechtdoende :

Verklaart den requirant niet ontvankelijk met het door hem gedaan beroep in cassatie.

Veroordeelt hem in de kosten daarop gevallen.

Zitting van 20 December 1894.

Voorzitter: als voren.

Gewijsde. — Feitelijke beslissing.

De uitspraak van den rechter, dat een aan zijn oordeel onderworpen geschil reeds bij gerechtelijke gewijsde is uitgemaakt, is van feitelijken aard en mitsdien aan het oordeel van den cassatierechter onttrokken.