is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen en uitgesproken op vijf September 1894, waarbij hij, met vrijspraak van het overigens hem ten laste gelegde, is schuldig verklaard aan : „het moedwillig toebrengen van een slag, geen ziekte of onbekwaamheid tot persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen ten gevolge gehad hebbende," en deswege veroordeeld tot de straf van twee maanden militaire detentie, ter vervanging van dwangarbeid buittn den ketting van gelijken duur, met veroordeeling voorts in de kosten en tuisen der Justitie, mitsgaders in die van den processe;

Gelezen den namens den appellant op tien October 1894 gedienden eisch in appèl, waarbij wordt geconcludeerd tot vernietiging of correctie van het vonnis a quo, cum expensis;

Nog gelezen de door den geappelleerde R. O. op zestien October 1894 gediende schriftuur van antwoord in appèl, waarbij wordt geconcludeerd, dat het Hof, met tenietdoening van het appèl «n ontvangst van den eisch a minima, het vonnis zal vernietigen, voorzoover het eene vrijspraak bevat en wijders, met verbetering van het vonnis, den beklaagde zal veroordeelen tot de straf van militaire detentie voor den tijd van drie maanden, ter vervanging van dwangarbeid buiten den ketting van gelijken duur en acht gulden geldboete, met bepaling dat, indien die geldboete binnen de veertien dagen na de aanzegging van 's Hofs sententie niet is voldaan, zij vervangen zal worden door militaire detentie voor den tijd van één dag en in de kosten der appellatoire instantie en overigens het vonnis zal bekrachtigen;

Gezien de verdere stukken van den processe, zoo ter eerste instantie, als in appèl gediend;

O. dat de beklaagde, thans appellant en. gedaagde a minima, te bekwamer tijd van het tegen hem gewezen vonnis is gekomen in hooger beroep en bij de behandeling hiervan door den Adcokaat Fiskaal voor de Land- en Zeemacht in Nederlandsch-Indie, in voege voorschreven, is gediend van eisch a minima;

O. dat de Krijgsraad te recht, op de gronden en bewijsmiddelen in zijn vonnis vermeld, als wettig bewezen heeft aangenomen, dat de appellant, tevens gedaagde a minima, op drie Juli 1894, terwijl hij bezig was met eene klas recruten te exerceeren