is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is verwond, evenmin, dat de verwonding het gevolg is geweest van beklaagde's onbedrevenheid, onhandigheid enz.

Indien de Djatsa echter in zijne acte van beschuldiging ten laste legt, dat de verwonding moedwillig heeft plaats gehad, dan is die acte niet meer in overeenstemming met de verwijzing, en moet de JDjaksa mitsdien met zijne beschuldiging niet ontvankelijk worden verklaard 116

Revisie. — Termijn.

Volgens de artikelen 316 t/m. 317é van het Inl. Ilegl. is zoowel aan den beklaagde als aan den betrokken ambtenaar van het Openbaar Ministerie een termijn van drie weken, na den dag der uitspraak van het vonnis, toegelaten om revisie daar tegen aan te teekenen.

Indien die gestelde termijn is vertreken, zonder dat aanteekening van revisie is gedaan, heeft het vonnis kracht van gewijsde zaak.

De beklaagde die. daartoe door den Griffier afgevraagd, op den 21sten dag na de uitspraak van het vonnis, waarbij hij is veroordeeld, heeft te kennen gegeven geen revisie te verlangen, maar twee dagen later (d.i. op den 23sten dag), met intrekking van het twee dagen te voren door hem verklaarde, zijn verlangen heeft te kennen gegeven, dat zijne zaak alsnog in revisie zal worden behandeld, is niet ontvankelijk met zijn verzoek om revisie, indien ook de ambtenaar van het O. M. dien termijn onbenut heeft laten voorbijgaan 275

Art. 141 Strafw. Inl. — Deelneming van openbare ambtenaren aan misdrijven of'overtredingen waartegen zij moeten waken.

Art. 141 Strafw. v. Inl. is alleen dan toepasselijk, wanneer een openbaar ambtenaar, uit den aard zijner functien met het waken tegen misdrijven belast, in plaats van aan deze hunne roeping te voldoen, door deelneming aan die misdrijven met de daders als het ware gemeene zaak maken en geenszins wanneer een openbaar ambtenaar alleen en zonder deelneming van anderen misdrijf pleegt ' 277

Re wijs van staat. — Vroegere veroordeeling door een Europeeselie Rechtbank. — Authentieke acte van erkenning.

Uit het feit, dat beklaagde een Europeeschen naam draagt en vroeger onder dien naam voor een Europeeselie rechtbank heeft terecht gestaan, valt af te leiden, dat bij reeds minstens eenige jaren den uiterlijken staat van Europeaan voert. Indien hij bovendien in het bezit is van een authentieke acte, volgens welke