is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog gelezen de door den geappelleerde E. O. op den 4den Februari 1895 gediende schriftuur van antwoord in appèl, waarbij wordt geconcludeerd: dat het Hoog-Militair-Gerechtshof, met tenietdoening van het appèl, het vonnis zal bekrachtigen en den appellant ook zal verwijzen in de kosten der appellatoire instantie;

Gezien de verdere stukken van den processe, zoo ter eerste instantie als in appèl gediend;

O. dat de beklaagde, thans appellant, te bekwamer tijd van het tegen hem gewezen vonnis is gekomen in hooger beroep;

O. dat den appellant bij introduetieve klacht van 28 Maart 1893, opgemaakt door den Adjudant-Onderofficier, commandant van het detachement van het garnizoens-bataljon van Amboina en Ternate te Amaheij, is ten laste gelegd, dat hij op 28 Maart 1893 den Korporaal van de week H., die hem. daar hij bij het strafexerceeren mankeerde, naar de reden daarvan vroeg, heeft geantwoord: ,,tida, lebih baik saja masok arrest" en op diens tot tweemaal toe herhaalden last. om bij bet strafexerceeren te verschijnen, telkens heeft geantwoord: „tida, lebih baik saja masok arrest"; dat hij vervolgens den Sergeant van de politie d. II., door wien hem herhaaldelijk dezelfde last werd gegeven, telkens eveneens heeft ten antwoord gegeven: „tida, lebih baik saja masok arrest";

O. dat dit den appellant ten laste gelegde niet oplevert, zooals de Krijgsraad heeft beslist, het misdrijf van artikel 95 van het Crimineel Wetboek of eenig ander in dat wetboek vermeld misdrijf, doch slechts eene overtreding van artikel 11 van het Reglement op de Krijgstucht of discipline voor het krijgsvolk te Lande, n. 1. het zich niet voegzaam onderwerpen aan het ondergaan van eene geordonneerde straf, zijnde toch het strafexerceeren opgenomen onder de disciplinaire straffen tfoor soldaten, in artikel 30 van genoemd Reglement vermeld;

O. dat de kennisneming dier overtredingen niet behoort tot de bevoegdheid van eenen Krijgsraad, weshalve het vonnis als door een daartoe onbevoegd college gewezen behoort te worden