is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegeven, en dit feit dan ook, als den gedaagde onbekend zijndo, door dezen ontkend wordt en voorts eveneens (ontkend wordt), dat door eischer (thans appellant) voor het in werking brengen van den rijstpelmolen toegestaan was het water uit den slokkan van het land te leiden en daartoe door hem eischer een dammetje in dien slokkan is gelegd en waar voorts in diezelfde conclusie van antwoord in eersten aanleg ook nog het navolgende vermeld staat: „dat het wegnemen van het dammetje op zich zelf tegenover eischer geen onrechtmatige daad is geweest, aangezien eischer noeli eigenaar noch bezitter was van dat dammetje

O. dat de oorspronkelijk eischer (thans appellant) alsnu in appèl heeft getracht om zijn beweerd recht, hetzij dan op het gebruik van het voor den molen benoodigde water, hetzij dan op het tot aftapping daarvan dienende dammetje, nader te staven door het alsnog in het geding brengen van twee door den oorspronkelijk gedaagde (thans geïntimeerde) aan hem (thans appellant) afgegeven kwitanties, respectievelijk dd°. 25 April en ddo. 1 Mei 1891, waaruit volgens hem zoude blyken, dat hij (appellant) voor de hem in het jaar 1883 door den toenmaligen huurder en medeeigenaar van de landen Tjampea e. a. F. H. C. van Motman verleende vergunning niet alleen aan dezen eene som van f 25.— 's maands heeffc betaald, maar ook nadat diens huurcontract was geexpireerd, is voortgegaan met daarvoor diezelfde som ook aan den thans geintimeerde (C. J. van Motman) te betalen, welke laatste daardoor alzoo de door F. H. C. van Motman gegeven vergunning heeft goedgekeurd en bestendigd;

O. dat echter de twee bedoelde quitanties te dien aanzien volstrekt niets kunnen bewijzen, vermits toch daarin volstrekt niet van schadeloostelling voor het recht tot aftapping van water wordt gewaagd, doch zij slechts de vermelding inhouden, dat de daarin genoemde bedragen, respectievelijk van ƒ 75.— en van f 25.—, hebben gestrekt tot betaling van grondhuur, terwijl daarenboven, waar van het recht zelf niets is gebleken, van een