is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewijs van bestendiging van dat beweerd recht geen sprake kan zyn;

dat waar alzoo de oorspronkelijk eischer (thans appellant) het bestaan van het recht zelf. op welks schending of stoornis hij zijne onderwerpelijke actie tot schadevergoeding baseerde, ook in appèl niet heeft bewezen, een onderzoek naar schade, welke hem door de schending of stoornis van dat geheel onbewezen recht zoude zijn berokkend, ten eenen male oiseus is te achten en mitsdien de daartoe strekkende conclusie behoort te worden gepasseerd, terwijl hierdoor tevens onnoodig wordt in eene beschouwing te treden omtrent het alsnog bij pleidooi in appèl van de zijde van geintimeerde gedane beweren, dat het door appellant aangeboden getuigenbewijs, als loopende over eene burgerlijke overeenkomst waarvan het onderwerp de som van f 300.— te boven gaat, in casu is uitgesloten;

dat mitsdien, met passeering van het door appellant bij conelussie van eisch in appèl gedaan incidenteel verzoek tot het leveren van bewijs door getuigen van de daarbij door hem gestelde boven nader omschreven daadzaken, het vonnis a quo behoort te worden bekrachtigd, met veroordeeling van den appellant alsnog in de kosten der appellatoire instantie;

Gelet, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke bepalingen, nog op de artikelen 58, 339 en 171. v. v. van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering;

Rechtdoende in hooger beroep:

Doet te niet het appèl.

Passeert het door appellant bij conclusie van eisch in appèl gedaan incidenteel verzoek tot het leveren van bewijs door getuigen van de daarbij gestelde daadzaken.

Bekrachtigt het tusscheh partijen gewezen vonnis van den Raad van Justitie te Batavia ddo. 13 April 1894, waarvan appèl.

Veroordeelt den appellant alsnog in de kosten der appellatoire instantie.