is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemaakt en eerst later is erkencl en toegegeven, dat de bedragen, die hij van geïntimeerde terugvordert, aan dezen zijn geleend of te diens behoeve zijn uitgegeven uit hoofde van dat contract, zoodat dc grond, waarop die ontzegging berustte, onjuist is;

O. dat echter bij de dagvaarding niet blootweg die aan den geintimeerde verstrekte of te zijnen behoeve uitgegeven gelden worden teruggevorderd, waar tevens als tusschen partijen overeengekomen eene rente van 7' f2 °/ 0 over die gelden, berekend van af den dag dat ze werden uitgegeven tot op den dag hunner volle voldoening, wordt gevraagd, zoomede de uitvoerbaarheid van het in deze te wijzen vonnis bij lijfsdwang, op grond dat hier wordt geëisclit de uitvoering van contracten aangaande een onderneming van landbouw, zijnde de meervoudsvorm hier blijkbaar gebezigd als een terugslag op de bewoordingen van artikel 581 ten 4o. van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering ;

O. dat hieruit ten duidelijkste blijkt, dat de vordering inderdaad niet op de ontbinding van het contract is gebaseerd en derhalve ook niet zijn grond vindt in het bepaalde b\j artikel 1265 van het Burgerlyk Wetboek, krachtens hetwelk partijen na zoodanige ontbinding in den toestand moeten worden teruggebracht, waarin zij zouden hebben verkeerd als er nimmer eene verbindtenis tusschen hen bestaan had, maar dat die vordering tot nakoming van dat contract strekt, waarop alleen de vordering der bij dat contract overeengekomen renten en der uitvoerbaarheid bij lijfsdwang kan steunen;

O. dat nu de nakoming van een contract — zooals wel niet nader behoeft te worden betoogd — niet meer kan worden gevorderd als dat contract, zooals in casu, ontbonden is verklaard en dus de eerste rechter, hoewel dan op eenigszins andere gronden, desniettemin de principale vordering te recht heeft ontzegd;

O. dat dientengevolge ook, afgezien van deze beschouwing van hetgeen daartegen op zich zelve is aangevoerd, te recht

LXV. 4