is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo veel mogelijk trachten weg te nemen, ofschoon voorondersteld mag worden dat de rechter ten deze met bedachtzaamheid zal te werk gaan. Om te voorkomen, dat door het in appèl komen van incidenteele en interlocutoire vonnissen processen tot in het oneindige gerekt worden, geeft het wetsvoorstel aan den rechter de bevoegdheid bij dusdanig vonnis te verklaren, dat het hooger beroep daarvan niet dan tegelijk met het eindvonnis zal kunnen worden ingesteld.

Wat aangaat de executie, treffen wij voor Nederland een belangrijke wijziging aan. Terwijl thans volgens artt. 522 t/m. 524 Ned. Itv. de verkoopingen van in beslag genomen onroerende goederen op de terechtzitting van de rechtbank, en de opbiedingen en afmijning door tusschenkomst van procureurs of notarissen geschieden, een wijze van verkoopen aan het verkrijgen van een hooge opbrengst weinig bevorderlijk, kan volgens het wetsvoorstel de rechtbank, daartoe aangezocht, bevelen, dat de verknoping niet ter terechtzitting, maar ten overstaan van een door haar aan te wijzen notaris zal plaats hebben. Voor Indië evenwel, waar de verkooping geschiedt op de gebruikelijke wijze door het vendukantoor (artt. 51G en 521), ten eenenmale zonder belang. Het tegendeel valt op te merken van de wijziging van art. 507 4e. lid, thans een rechterlijke uitspraak eischende om een na de openbaarmaking van het proces-verbaal van inbeslagneming ten nadeele van den executant gedane vervreemding te niet te doen, terwijl het wetsvoorstel eenvoudig relatieve nietigheid van dergelijke vervreemdingen aanneemt, m.a.w. deze op zich zelf niet absoluut ongeldig acht, doch verklaart dat ze tegen den inbeslagneiner niet kunnen worden ingeroepen. Verbeteringen ( ! ) van meer

(') Ru bij inbeslagneming var. roerend goed de deurwaarder door den substituut-griffier of ander ambtenaar moet bijgestaan worden (art. 444), zouden de twee getuigen afgeschaft, en de aan dezen te besteden kosten bespaard kunnen worden (vgl. Winckel, formulierboek, bl. 4).

Met het oog op een vonnis van den raad van justitie te Batavia van 22 Dec. 1893 W. 1597, waarbij beslist werd dat de termijn van