is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oordeeling van geïntimeerde in alle kosten van beide instan„tien" en

B. Voor eisch incidenteel subsidiair in appèl:

dat het den Hove moge behagen: alvorens ten principale recht te doen, appellante qualitate qua toetclaten om tot rechtvaardiging van de posten B. en C. van den aan gedaagden (thans geintimeerdèn) beteekendc schadestaat door alle middelen rechtens, speciaal door getuigen, te bewijzen de navolgende pertinente en concludente daadzaken:

Quoad post B:

I. dat de heer Coblyn gezond en krachtig was, toen hij op 15 Juli 1884 werd gegijzeld;

II. dat hij gedurende de gijzeling voortdurend ten prooi was aan eene hevige moreele depressie;

III. dat hij den hem gestelden leefregel gedurende de gijzeling niet konde verdragen:

IV. dat het locaal, waarin hij gedurende zijne' gijzeling gehuisvest was, nieuw gebouwd en vochtig was en daarin putwater en vuil regenwater bleef staan bij gebreke aan uitwateringsgooten:

V. dat hij gedurende zijne gijzeling eene rheumatische kwaal heeft opgedaan en zijn zenuwgestel ernstig is geschokt geworden, aan welke kwalen hij nog lijdt en die hein belemmeren in de uitoefening van zijn beroep als administrateur van landelijke ondernemingen;

VI. dat de heeren Lutgert en Troost, die zich gelijktijdig met hem in de centrale gevangenis te Scmarang in gijzeling bevonden, kort na hun ontslag zijn overleden ten gevolge van ziekten, door hen gedurende en door de gijzeling opgedaan;

VII. dat hij uit de gijzeling is ontslagen met een ondermijnd gestel en als een naar lichaam en ziel gebroken man;

hebbende appellante qualitate qua zich daarbij het recht voorbehouden om, wanneer deze feiten rechtens zullen zijn bewezen, en zoo zulks alsdan nog noodig mocht voorkomen, door deskundigen te doen aantoonen dat de rheumatische kwaal van den heer