is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het feit,, dat de beklaagde later het toegebrachte nadeel, zooveel in zijn vermogen was, heeft hersteld, heeft geen straffeloosheid ten gevolge, aangezien het misdrijf toen reeds icas voltooid.

HET HOOG-MILITAIR-GERECHTSHOF,

Gezien het vonnis van eenen daartoe benoemden Krijgsraad te Weltevreden tegen den in hoofde dezer genoemden beklaagde gewezen op den 13den December 1895 en uitgesproken op den Sisten Januari 1896, waarbij, met verklaring dat het den beklaagde ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen feit noch misdrijf noch overtreding daarstelt, hij is vrijgesproken van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, met veroordeeling van het Land in de kosten en misen der Justitie, mitsgaders in die van den proeesse;

Gelezen den namens den appellant R. O. op den Ssten Februari 1896 gedienden eisch in appèl, waarbij wordt geconcludeerd: dat liet Hof, met vernietiging van het vonnis, den beklaagde zal schuldig verklaren aan: „ontvreemding door iemand gecmploveerd bij de uitdeeling van goederen aan een korps der armee toebehoorcnde van goed, hem in voege voorschreven toevertrouwd, onder verzachtende omstandigheden", en hem overzulks zal veroordeelen tot de straf van één jaar militaire detentie en met veroordeeling van den beklaagde in de kosten der beide instantiën;

Nog gelezen de namens den geappelleerde op den lösten Februari 1896 gediende schriftuur van antwoord in appèl, waarbij wordt geconcludeerd: dat het den Hove moge behagen te bekrachtigen het vonnis a quo en den Lande te veroordeelen in de kosten der appellatoire instantie;

Gezien de verdere stukken van den proeesse, zoo ter eerste instantie als in appèl gediend:

O. dat de appellant R. O .f naar aanleiding van 's Hofs resolutie van 24 Januari 1896 No. 6, waarbij de AdvokaatFiskaal voor de Land- en Zeemacht in Nederlandsch-Indië