is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en van Ni erop zoude zijn en daarna ten allen tijde van weerszijde zoude kunnen worden opgeëiseht en afgelost, mits minstens zes maanden te voren waarschuwende, met verdere bepaling omtrent rente van den dag der vaststelling van liet door appellant ten titel van geldleening onder zich gehouden bedrag;

O. dat uit den hier vermelden inhoud der tusschen partijen aangegane overeenkomst duidelijk blijkt, dat het nimmer in hare bedoeling gelegen heeft, dat appellant door cessie reeds dadelijk eigenaar zoude worden van al hetgeen geintimeerde mocht toebedeeld worden uit de bewuste nalatenschap, welk bedrag dit ook mocht zijn, doch dat aan appellant zekerheid zoude gegeven worden voor den door hem aan geintimeerde tijdelijk te verleenen finantieele steun tot aan de likwidatie van den boedel, op welk tijdstip appellant het aan geintimeerde daaruit competeerende, dat door appellant in ontvangst genomen en gerealiseerd zijnde, na aftrek van hetgeen hem alsdan van geintimeerde wegens voorschotten en renten zoude toekomen, onder zich zoude mogen houden onder den titel van geldleening, waarvoor hij aan geintimeerde alsdan rente zoude moeten vergoeden;

dat de overeenkomst dus in werkelijkheid niet bevat eene overdracht van erfrecht, maar wat genoemd wordt eene aan appellant verstrekte procuratio in rem suam ten behoeve van zijne aan geintimeerde verstrekte voorschotten en renten;

O. dat uit de overgelegde acte van boedelscheiding van een gedeelte der nalatenschap van wylcn J. G. Weijergang voor den Notaris H. T. F. Hultman te Makasser en getuigen op 11 Februari 1882 sub No. 10 verleden blijkt, dat namens appellant, daarbij vertegenwoordigd door zijnen daartoe notarieel gemachtige D. B. Wejjergang, verklaard is, dat hij het hem als cessionaris van geintimeerde toebedeelde tot eene gezamenlijke waarde van f 12.222.38 27 '„ s heeft ontvangen en overgenomen;

O. dat alzoo uit het verband van het voorafgaande volgt, dat appellant door de ontvangst van het aan geintimeerde uit genoemde nalatenschap competeerende wel degelijk beheer ge-