is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rlat immers volgens die overeenkomst wel is waar op eischer de verplichting rust om te zorgen, dat de voorgeschreven minimum hoeveelheden zout ten allen tijde in de door hem bedoelde zoutverkooppakhuizen aanwezig zijn, doch tegenover die gehoudenheid zijnerzijds zekerlijk — zulks in strijd met hetgeen eischer beweert — geen andere en meer uitgebreide verplichting van zijde der gedaagde kan staan, dan dat zij harerzijds slechts pakhuizen moet verschaffen, welke ten allen tijde gelegenheid voor de opschuring van de voorgeschreven minimum hoeveelheden zout aanbieden;

dat het nu geen betoog behoeft, dat bij de beoordeeling dezer kwestie geenszins de inwendige inrichting dier pakhuizen, m. a. w. de indeeling dier pakhuizen in één of meer vakken, doch slechts de bergruimte, welke die pakhuizen opleveren, ter sprake kan komen:

dat gedaagde dan ook slechts ten aanzien van den eischer voor pakhuizen van een voldoende bergruimte, doch geenszins nog daarenboven voor een bijzondere inwendige inrichting dier pakhuizen te zorgen heeft en gedaagde ten aanzien van de verkooppakhuizen te Grissee, Boengah en Krandji slechts dan kon geacht worden haar verplichtingen jegens eischer niet te zijn nagekomen, indien die pakhuizen, wat niet het geval is, de capaciteit misten om daarin ten allen tijde den voorgeschreven minimum voorraad zout te bergen, doch dit feit zelfs niet door den eischer is gesustineerd;

dat eischer, blijkens zijn redeneerïngen, de inrichting der voormelde verkooppakhuizen in drie vakken, waarvan alsdan één bestemd is voor de inname van nieuwen aanbreng, schijnt noodig te achten omdat, bij dusdanige indeeling, slechts de mogelijkheid bestaat, dat hij zout kan aanvoeren op een oogenblik waarop een vak geheel ledig is;

dat gedaagde alsnu, meer speciaal om aan het licht te stellen, hoe gezocht en ongegrond eisehers grieven en in verband daarmede zijn gehcele actie is, zal aantoonen, dat de drie door hem bedoelde pakhuizen, ook al zijn zij slechts in twee vakken ver-