is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hierover zal wel niemand in twijfel verkeeren, naamlooze vennootschappen van koophandel, doch het is even waar dat deze laatste wel degelijk maatschappen zijn, die wel in de eerste plaats door de bijzondere bepalingen in het Wetboek van Koophandel worden beheerscht, maar waarvoor, blijkens de duidelijke bewoordingen van art. 1 van genoemd Wetboek, bovendien de algcmeene voorschriften van het Burgerlijk Wetboek gelden, vooral van den achtsten titel van het Derde Boek.

Het doel van den niet-inlandschen huurder is begrijpelijkerwijze geen ander dan het verkrijgen van de bevoegdheid om, gedurende zekeren tijd, in het belang zijner onderneming op de door hem ingehuurde gronden die rechten uit te oefenen, welke den inlandschen verhuurder toekomen, behoudens de wettelijke beperkingen. Dat laatstgenoemde hierbij onder den invloed behoort te blijven van den welbekenden regel: „nemo plusjuris in alium transferre potest quam et ipse habet" kan moeilijk in twijfel getrokken worden. Wij zagen reeds eene toepassing daarvan in de voorschriften aangaande den verhuur van ainbtsvelden. Houdt men nu behoorlijk rekening met dit object der huurovereenkomsten, althans voor den huurder, dan is het duidelijk dat de uitdrukkingen „erfelijk individueel bezit" en communaal bezit" met vaste aandeelen dan wel met periodieke verdeeling, in art. 3 voorkomende, zoo onjuridiseh zijn als zich maar denken laat. Het recht van bezit als zoodanig, zonder meer, mist voor den niet-inlandschen huurder ten eenemalc alle waarde. Wat hij zich door de huurovereenkomst wenscht te verzekeren is het recht om den grond, overeenkomstig den aard er van, te gebruiken en te bebouwen, en zoodoende stapelproducten voor de Europeesche markt te verkrijgen. Het bezitsrecht, zonder meer, geeft hem hiertoe de bevoegdheid niet, wel gebruiksrecht of beter het recht van vruchtgebruik, waarvan dat bezit de uiterlijke afspiegeling is. Dat, juridice, de onderscheiding van verschillende bezitsvormen (*) geen raison d'être heeft, daar

f 1 ) Zie b v. p. 37 en 38 der Toelichting en het boofd der Modelhunraeten Lae. A en A'.