is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. Daarentegen zullen diezelfde inlandsche verhuurders, die door hun woord aan B gestand te doen dezen macht gaven tegenover A, de dupe zijn zoodra B zich niet meer aan zijne verbintenis wenscht te houden en b.v. op een zeer ongelegen tijdstip de overeenkomst opzegt. Want, mochten die verhuurders hierdoor wezenlijk schade lijden, verlies zoowel als winstderving, en bij den bevoegden rechter stappen doen opdat B tot de vergoeding hiervan genoodzaakt worde, dan kan het antwoord des rechters bezwaarlijk anders zijn dan dit: „Goede menschen, het spijt mij zeer dat gijlieden door de ongerechtvaardigde handelingen van B schade hebt geleden, maar nog meer doet het mij leed dat ik u niet kan helpen in het vergoed krijgen hiervan want in mijn oog is er tusschen u en B geene overeenkomsti, wijl de registratie niet heeft plaats gehad, ergo ook geene verbintenis uit overeenkomst".

In de Toelichting lezen wij ( x ): „Voorloopig is eene boete van f 50.— tot f 100.— voldoende geoordeeld, de praktijk zal moeten aantoonen of het noodig zal zijn die straf te verzwaren". Mij dunkt, ook zonder eenige praktijk kan men nu reeds als zeker aannemen dat heel andere straffen zullen moeten worden gesteld, wil de Regeering kunnen rekenen op eene behoorlijke naleving van haren eisch, de registratie van alle huurovereenkomsten die onder Stbl. 1895 No. 247 yallen. Natuurlijk heeft zij hiertoe de macht; zij kan op de overtreding van art. 18 eene boete stellen zóó hoog, dat deze meer bedragen zou dan de waarde van de meeste ondernemingen; zij kan de overtreders met gevangenisstraf bedreigen, en deze, zoo noodig, van zulk een langen duur maken dat geen voordeel, met een ongeregistreerd contract te behalen, zóó groot kan zijn dat een verstandig man zich hieraan wagen zou. Alvorens echter hiertoe over te gaan zou ik ineenen dat het algemeen belang, en voornamelijk dat van huurders en verhuurders, eischt dat nog eens kalm en nuchter, en vooral onbevooroordeeld, worde overwogen of het wel zoo noodzakelijk is dat alle huurovereenkomsten waarop Stbl. 1895 No. 247 het oog heeft, worden geregistreerd.

0) P. 114.