is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat immers den beklaagde misdrijf was ten laste gelegd, waarom strafvervolging op dien voet en volgens de daarvoor vastgestelde procedure tegen hem werd gevoerd, en het derhalve in casu geldt een zaak van misdrijf, terwijl uit de artikelen 301 en 289 van het Reglement op de Strafvordering voor de Raden van Justitie enz. juneto art. 316 van het Reglement op de uitoefening der politie enz. ten duidelijkste blijkt, dat een vonnis gelijk het onderhavige is een eindvonnis:

Nog gelet op art. 317 al. 2 Strafwetboek voor Inlanders en artt. 95 en 110 van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie, alsook gelet op den Xlden titel en artikel 417 van het Reglement op de uitoefening der politie, de burgerlijke rechtspleging en de strafvordering onder de Inlanders en de daarmede gelijk gestelde personen op Java en Madura;

Rechtdoende:

Verklaart zich onbevoegd om van deze zaak kennis te nemen.

Verwijst haar naar den bevoegden rechter, zijnde de politierechter alhier.

Verstaat dat de kosten zullen komen ten laste van den Lande.

MEMORTE VAN REVISSIE VAN DEN DJAKSA.

Aan het Hoog-Gerechtshof van Nederlandsch-Indië (3e kamer). Memorie van mij, Mas Partosoebroto, Djaksa bij den Landraad te Patjitan, houdende mijne middelen ter handhaving van het op 22 Juni 1896 door den Landraad te Patjitan in zake Kertoleksono gewezen vonnis.

De ondergeteekende geeft met den meest verschuldigden eerbied te kennen, dat hij meent dat bovengenoemd vonnis wel en te recht is gewezen;

dat toch naar zijn gevoelen, hetwelk blijkbaar door den Landraad is gedeeld, de Landraad niet op de hoofdzaak mocht recht doen, omdat art. 305 le van het z. g. Inlandseh- Reglement onder „overtreding" alleen begrijpt eene overtreding welke behoort tot de kennisneming van den Landraad;