is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de erkenning gedaan wordt. Op liet oogenblik dier ontmoeting wordt de rechtsgeldige erkenning eerst geboren, eerst d:\n is zij er. Een paar voorbeelden zullen dit ophelderen:

lo. Op 1 Januari erkent de vader zijn kind; op 2 Januari geeft de moeder hare toestemming, dan is de rechtsgeldige erkenning eerst geboren op het oogenblik zelf, waarop op 2 Januari de toestemming wordt gegeven, want eerst op dit moment ontmoeten erkenning en toestemming elkaar;

2o. Op 1 Januari erkent de vader en tegelijker tijd stemt de moeder toe, dan is de rechtsgeldige erkenning ook op dat zelfde oogenblik van 1 Januari geboren, omdat erkenning en toestemming elkaar toen ontmoeten;

3o. Op 1 Januari geeft de moeder toestemming tot de erkenning, welke de vader op 2 Januari voornemens is te doen; erkent de vader op 2 Januari, dan is de rechtsgeldige erkenning geboren op het oogenblik waarop op 2 Januari de vader erkende, aangezien op dat moment toestemming en erkenning elkaar ontmoeten.

Een andere vraag is echter of de rechtsgeldige erkenning terugwerkt tot op den dag der geboorte van het erkende kind of vangt zij eerst aan te werken op het oogenblik waarop de rechtsgeldige erkenning geboren werd? Mij komt het door Diephuis V, bl. 131 v.v. daaromtrent geuite gevoelen het rationeelst voor ( 1 ).

Hoe moet nu blijken van een rechtsgeldige erkenning, d. w. z. van eene erkenning, waaraan rechtsgevolgen verbonden zijn? Door een authentieke acte, dus per se door een geschrift in authentieken vorm opgemaakt, want: „Het erkennen van een natuurlijk kind kan door alle authentieke ( 2 ) acten geschieden, wanneer zulks niet reeds bij de acte van geboorte, of ter gelegenheid van het aangaan des huwelijks, gedaan is", zegt art. 281 al. 1 B. W., en wat een authentieke acte is verklaart art. 1868 B. W. Ik zeg een „rechtsgeldige" erkenning, de zoodanige,

(') Zie nog Opzoomer, II, bl. 188. ( 2 ) Ik cursiveer.— Vgl. nog Diephuis, V, bl. 117 v.v.