is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons besproken werden, te weten: inkrimping van het Hooggerechtshof, verheffing (door hoogere bezoldiging hunner leden, gepaard aan periodieke traktementsverhooging) van de Raden van Justitie, aan wie de revisie van strafvonnissen wordt opgedragen, uitbreiding van de bevoegdheid der residentiegerechtcn, en aanstelling bij de landraden, waar noodig, van vice-presidenten, ten einde ook bij die rechtscolleges door verdeeling van arbeid, speciaal door afscheiding van civiele en strafrechtspraak, een geregelde behandeling van zaken mogelijk te maken. Het is zeker een niet geringe verdienste van het voorstel van den heer Engelbrecht, dat het geen financieele offers eischt. Hierop kan niet genoeg de aandacht gevestigd worden, omdat de vraag naar meer geld altijd gedaan werd, wanneer tot dusver verbeteringen ten opzichte van het Nederlandsch-Indisch rechtswezen ter sprake kwamen. De beteekenis van het hier besproken voorstel ligt vooral in een betere verdeeling van de voor het rechtswezen beschikbare gelden. Door de inkrimping van het Hooggerechtshof komt een aanzienlijk bedrag vrij, dat voor een betere samenstelling van de Raden van Justitie en uitbreiding van het personeel bij de landraden kan worden aangewend. Mag men de Java-Bode gelooven, dan zou zelfs de reorganisatie van den heer Engelbrecht goedkooper uitkomen dan de bestaande regeling. Dit zou verkregen worden doordien de emolumenten, welke thans ten bate komen van de griffiers bij het Hof en de Raden van Justitie, in 's lands kas gestort moeten worden.

Dat die emolumenten van niet geringe beteekenis zijn, kan wel hieruit blijken, dat men, zoo een griffiersplaats openkornt, raadsheeren in het Hooggerechtshof ziet mededingen, om voor een benoeming tot griffier in aanmerking te komen. Het vernuftig denkbeeld, om die emolumenten ten bate van het algemeen te doen strekken, en zoodoende aan een geheel ongemotiveerde bevoorrechting van enkele ambtenaren een einde te maken, kan slechts instemming vinden.

Wie echter meenen mocht, dat met dit ontwerp het werk der herziening een eind verder gekomen is, verheuge zich niet te