is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat hetzelfde geldt voor hetgeen in de laatste plaats is te berde gebracht, dat namelijk niet bepaald werd, dat de litisdecisoire eed op de meest plechtige wijze zoude worden afgelegd, vermits de beslissing hieromtrent bij artikel 14 der Algemeene Bepalingen van Wetgeving geheel aan het arbitrium judicis is overgelaten;

O. dat, by het wegvallen der tegen het vonnis a quo aangevoerde grieven, dit als wel en te recht gewezen behoort te worden bekrachtigd, terwijl met het oog op het slot der tweede alinea van artikel 357 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering, op de hoofdzaak kan worden rechtgedaan, nu blijkens het de actis causae gemaakt proces-verbaal de geïntimeerden op 31 Januari jJ. den bij voormeld vonnis omschreven eed hebben afgelegd;

O. dat door de aflegging van dezen eed de bij dagvaarding en conclusie van eisch in eersten aanleg gestelde posita zijn bewezen en dus vaststaat, dat de daarby omschreven hypothecaire schuld door betaling is te niet gegaan, zoodat de eisch tot roija behoort te worden toegewezen;

O. dat, nu in appèl wordt recht gedaan, de verzochte uitvoerbaarverklaring by voorraad kan worden gepasseerd;

Gelet op de aangehaalde wetsbepalingen, op artikel 1381 en 1202, le. van het Burgerlijk Wetboek en artikel 58 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering;

Rechtdoende:

Bekrachtigt het vonnis van den Raad van Justitie te Batavia ddo. 25 October 1895, tusschen partyen gewezen.

En ten principale rechtdoende:

Wijst den eisch toe.

Veroordeelt den oorspronkelijk gedaagde, thans appellant, om te gedoogen dat het eerste hypothecair verband, hetwelk blijkens acte op den 22en Januari 1885, sub No. 1 voor den Resident van Palembang verleden, is gevestigd op de aan eischers, thans geintimeerden, toebelioorende onverdeelde aandeelen in het perceel onroerend goed, gelegen in kampong 28 ilir ter