is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cn 284 van liet Inlandsch-Reglement blijkt, clat vrijspraak van een beklaagde moet plaats hebben, zoowel wanneer het bewijs van een of meerdere der ten laste gelegde, de elementen van eenig misdrijf of overtreding daarstellende, feiten ontbreekt, als wanneer de rechter, ook dan wanneer die feiten door wettige bewijsmiddelen mochten zijn gestaafd, de overtuiging van beklaagde's schuld daaraan niet heeft verkregen;

O. dat in casu zich echter geen dier beide gevallen voordoet, omdat volgens den Landraad en te recht als bewezen is aangenomen dat beklaagde, met uitzondering van de hierboven vermelde stukken van overtuiging, in het gezit is geweest van de overige mede door den onderwerpelijken diefstal verkregen in de acte van beschuldiging vermelde goederen en zulks met de wetenschap van de misdadige herkomst daarvan en met het doel om ze aan den eigenaar te onttrekken;

dat bijgevolg ook volgens dien rechter alle elementen van liet misdrijf van heling van gestolen goed, zij het dan ook in beperkter omvang dan de beschuldiging luidt, aanwezig zijn;

O. dat de eerste rechter derhalve ten onrechte den beklaagde van het hierboven nader omschreven meerder ten laste gelegde heeft vrügesproken:

O. dat de eerste rechter overigens, op grond der wettige bewijsmiddelen in het vonnis vermeld, te recht eene schuldigverklaring en veroordeeling tegen den beklaagde uitgesproken en het gepleegde feit ook naar behooren omschreven heeft;

O. dat de opgelegde straf niet in juiste verhouding staat tot de zwaarte van het gepleegde misdrijf:

O. dat mitsdien het vonnis ten aanzien der vrijspraak vernietigd, ten aanzien der straf'verbeterd en overigens bekrachtigd behoort te worden;

Gezien de artikelen 295, 3U1, en 411 van het Reglement op de Strafvordering voor de Raden van Justitie op Java enz. zoomede de in het vonnis aangehaalde wetsbepalingen;