is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rechtdoende:

Vernietigt het vonnis voorzoover het een vrijspraak van het meerder ten laste gelegde inhoudt.

Veroordeelt den beklaagde tor zake in het vonnis vermeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van een jaar en zes maanden.

Bekrachtigt het vonnis overigens.

Veroordeelt den beklaagde bovendien in de kosten in revisie gevallen.

Raadkamer van 21 September 1896.

Voorzitter: als voren.

Art. 30 R. O. en 312, 2 e. Inl. R f .gl. — Motiveering vanvonnissen.

Volgens art. 30 1'. O. moeten de vonnissen in strafzaken inbonden de gronden waarop zij berusten, terwijl art. 312, 2e. van het Inl. Regl. in overeenstemming daarmede evenzoo gebiedend voorschrijft, dat het vonnis van den Landraad de redenen zal vermelden, welke tot de veroordeeling hebben geleid.

Een vonnis waarbij de schuldigverklaring van den beklaagde aan het hem ten laste gelegde slechts gegrond is op de overweging : „dat de volledige bekentenis van den beklaagde, dat hij „zich aan de hem ten laste gelegde daad heeft schuldig gemaakt, ,,vergezeld van eene bepaalde en nauwkeurige opgave van omstandigheden, bevestigd door de verklaringen van de getuigen ,, A. II. C. en van den getuige en deskundige 11. het wettig en „overtuigend bewijs heeft opgeleverd enz." kan niet geacht worden aan de hierboven vermelde door de wet gestelde eischen te voldoen, omdat zoodanig vonnis niet inhoudt de gronden of redenen waarop de rechter de veroordeeling doet steunen, doch alleen eene opgave bevat der bewijsmiddelen, waardoor volgens zijn inzien de schuld van den beklaagde aan het licht is gebracht.