Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu en dan onderwees Hij ben daaromtrent, dat is wees hen daarop, en lokte bij hen uit, welk een' indruk zijne verschijning en hetgeen zij in Hem gezien hadden op hen gemaakt had. Reeds hier en daar vinden wij proeven, maar allerbijzonderst zijn zij te vinden aan het slot van zijn leven, in die heerlijke gesprekken, waarmede Hij den avond vóór zijn lijden doorbragt. Ziet daar vooral vinden wij de leer van jezus; maar wal is zij anders dan aanwijzing, wat en hoe God zich in Hem openbaarde? «Indien gij mij gekend haddet," zegt jezus , » zoo zoudt gij ook mijnen Vader gekend hebben." Doch neen, zoo wil Hij niet eindigen, alsof zijne verschijning, zijn leven en zijne verkeering met hen vruchteloos geweest waren; zij toch hadden Hem erkend, maar levens door Hem den Vader leeren kennen, en hetgeen in deze oogenblikken van droefheid reeds in hen was, maar nog niet tot volkomene bewustheid gekomen, dat leert jezus hun, dat wijst Hij hun aan. »Van nu aan," dus spreekt Hij, » kent gij Hem en hebt Hem gezien." En nu mogen duisterheid en verkeerde gedachten nog de vraag aan een' der leerlingen in den mond leggen: »Heer, toon ons den Vader!" Het antwoord van jezus, waardoor Hij hem beter leert, is niet anders dan wijzen op zich zeiven en verwijzen op hetgeen zij in zijn spreken en handelen gezien hadden. »Ben ik zoo langen tijd met ulieden en hebt gij mij niet gekend; die mij gezien heeft, heeft den Vader gezien. Gelooft gij niet, dat ik in den Vader ben en de Vader in mij is? Ik spreek niet uit mij zeiven, en het zijn werken des Vaders, die ik doe (11)."

(li) Joh. XIV; 7-11.

Sluiten