Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rnaking en zaliging. Ook hier voert de Apostel ons niet in de gewesten van liooger heil. Hij spreekt niet van de werkzaamheid van Christus verheerlijkten tot verhooging van elkanders heilstaat, of van hunnen werkzamen invloed op het heil van Christus geloovigen hier op aarde. — Maar in krachtige bewoordingen stelt hij dikwerf voor, hoe alle verlosten hier op aarde voor elkander moeten leven. Zy hebben verschillende gaven en krachten ontvangen, opdat elk die ten nutte van anderen bestede. Niemand mag slechts op zich zeiven zien, maar elk moet even zeer het heil van zijnen broeder bevorderen (41). Door leering en vermaning moet de eene den anderen steeds opbouwen en volmaken (42). En even zoo wil hy, dat elk zich de gaven des anderen tot eigene volmaking ten nutte make (43). Alle te zamen zijn hem daartoe één ligchaam, opdat door aller medewerking allen zouden komen tot eenigheid des geloofs en der kennis des Zoons Gods, tot eenen volkomenen man, tot de mate der grootte der volheid van cnitisTus (44).

Is eindelijk het hoofd der Gemeente, Christus , uitermate verhoogd, heeft Hij eenen naam ontvangen, die boven alle namen is: uit zijne betrekking tot de zijnen, zijne werkzaamheid voor hen, is ook voor Hem die heerlijkheid ontsprongen. Hij werd verhoogd en verheerlijkt, omdat Hij, Gode gehoorzaam, zich voor de zijnen heeft vernederd. En dit is zijne heerlijkheid, dat alle knie voor Hem zich buigt, alle tong Hem verheerlijkt (45). Zoo wordt ook zijne zalige

(41) 1 Cor. X: 24. (42) Col. III: 16. Gal. V: 11.

(43) Gal. IV: 11. 1 Tliess. V: 12.

(44) Epli. IV: 11—13. (45) Phil. II: C—11.

Sluiten