Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar wal zouden dan nu z.y, aan welke de leiding der Christelijke Kerk was opgedragen? Zouden zij de Christenen tot geenerlei bron van waarheid verwijzen? Dit kon niet. De groote menigte, de kudde, wees men dus naar de Kerkleer en de herders der kudde naar zekere uittreksels uit de schriften des Bijbels en der Kerkvaders. Over deze laatste uittreksels, onder den naam van Homiliarium, of Preehv er zameling, door karel den Groolen uitgegeven , spreek ik hier niet meer. Die andere uittreksels uit den Bijbel bestonden in stukken uit de Evangelieën en uit de Apostolische Brieven, welke stukken ongeveer sedert de tijden van gregorius den Grooten in de Kerk te Rome en vervolgens in andere Westersche Kerken, door karel den Grooten ook in die van Frankrijk en Duitschland, inheemsch zijn geworden. Zij beslaan in Pericopen of Afdeelingen voor eiken zon- en feestdag des jaars, en zijn onder den naam van Evangelieën en Epistelen in de Roomsch-Katholijke en in het grootste deel der Luthersche Kerk nog in gebruik. Daar worden nog deze zelfde stukken, jaar uit jaar in, aan de Gemeente voorgelezen, en de Lulherschen (om nu van de Roomschen niet te spreken) gaan zelfs weinig met den Bijbel in de hand naar de godsdienstoefeningen, maar gewoonlijk met het kerkboek, 'twelk, behalve de kerkelijke Gezangen en Formulieren, deze uittreksels uit het Nieuwe Verbond bevat. Deze uittreksels nu alleen (en niet de geheele Bijbel) werden in de middeneeuwen ook in de kerkgebouwen gevonden en daaruit op eiken zon- en feestdag de daarvoor bestemde afdeeling voorgelezen. Deze Evangelieën en Epistelen, of gelijk men ze bij verkorting ook noemde, deze Evangelieën waren dus de Bijbel des volks, 't welk zelden meer van de Heilige Schrift zag of

Sluiten