Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

354) als » het vermogen om den mensch ia de l.armonische ontwikkeling zijns aanleg, met doelmal.ge inwerking uit reine belangstelling (uit liefde, I. 35.) ,c ondersteunen, zoodat in de jaren der volwassenheid de mensch, naar zijne bestemming ontwikkeld,

\oor den dag kome. _

Allerbelangrijkst is nu de aanwijzing ™ « -

SER, dat die inwerking, op alle seholen vóór de

universiteit, niet mag bestaan in heren maar Wet

deze twee stelt hij alzoo voor (II. 207, 20 ).

ren is de werkzaamheid des meer kundigen, om een ander' door spreken de kundigheden bij te brengen, welke deze nog mist. De leeraar, als zodanig, deelt mede, wat hij weet, zonder te onderzoeken, of de kweekeling ook niet uit zich zeiven lot deze of gene kundigheid zou gekomen zijn. Hij vooronderstelt dat de kweekeling zijne kunde van buiten moet erlangen, door middel des geheugens. Onderwijzen is de werkzaamheid des onderwezenen, om den nog niet onderwezenen mensch op te wekken en te prikkelen dat hij de hem 'nog ontbrekende kunde zie door eigene geesteswerkzaamheid verschalle, en om hcm in het streven daarnaar doelmatig te ondersteunen De onderwijzer onthoudt zich us van mee deelen en leeren en streeft slechts daarheen , dat de Skeling zich zelf onderwijze. De onderwijzer vooronderstelt derhalve, dat de scholier geene mededeelinCT Van buiten noodig heeft, maar m en door zich de "noodwendige kundigheden vinden moet. Hij vraagt daarom van den leerling de mededeeling cencr ku dikheid, die deze eerst uit zich zclven moet ontvu ke1en , en zet hem daardoor in de noodwend.gheid niet zijnen geest in zich zclven in te keeren, om

Sluiten