Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijn om deze voorstelling van paulus te verklaren en met hetgeen wij tot hiertoe uit hem ontwikkelden in overeenstemming te brengen.

En hier beginnen wij weder met de opmerking, dat hij ook op die plaatsen, waar hij opstanding en gerigt, als op dat bepaalde tijdstip plaats hebbende, voorstelt, niet van opstanding spreekt als iets van het leven na den dood onderscheidens, zoodat de gestorvenene Christenen reeds aanvankelijk leven en zaligheid, wat hunne zielen aangaat, zouden genoten hebben, eer die toekomst des Heeren zal plaats hebben. In tegendeel, gelijk wij het vroeger opmerkten, in het geheele 15e Hoofdstuk van den eersten Brief aan de Corinthiërs stelt hij opstanding voor als het toekomstig leven ; en de Thessalonieensen vertroost hij over hunne ontslapenen, opdat zij niet bedroefd zouden zijn als degenen, die geene hoop hebben, geheel alleen daarmede, dat de gestorvenen in Christus, wanneer de Heer nederdaalt van den hemel, zullen opslaan en met Hem wedergebragt worden. Ja, in dienzelfden Brief spreekt hij bepaaldelijk van der Christenen ziel en geest, als bewaard moetende worden tot de toekomst des Heeren (4); gelijk hij elders de geheele hoop-, die hij voor zich zeiven had, op de kroon des levens na den aardschen stryd, brengt tot dien grooten dag des gerigts, wanneer de regtvaardige regter allen, die zijne verschijning hebben lief gehad , alzoo kroonen zal (5). Aan geene twee tijdperken denkt hij dus in het toekomende leven, maar aan dit leven en aan de toekomst; de laatste stelt hij voor in derzelver algemeenheid op het laatste

(4) 1 Thess. V : 23.

(5) S Tim. IV : 8.

Sluiten