Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«ligheden eenen wijzigenden invloed op genoemde behoefte uitoefenen, en daarom gaat de Schrijver in de tweede afdeeling aantoonen, en dat genoemde behoefte eene behoefte is der menschelijke natuur, en dat, om in die behoefte te voorzien, eene vereeniging van ideën en daadzaken wordt gevorderd.

Reeds het geschiedkundig getuigenis aangaande de zich steeds openbarende behoefte aan vorming van ideën en aan kennis der zaken bij de menschheid, doet meer dan vermoeden, dat de bron of oorzaak dier behoefte in den mensch zeiven, in zijne gesteldheid en verhouding tot de dingen buiten hem, zij te zoeken. In dit vermoeden worden wij buitendien versterkt, als wij indenken, hoe alle vormen, onder welke zich bij Grieken en Hebreën de behoefte aan daadzaken openbaart , één gemeenschappelijk karakter vertoonen, t. w. het volgen en inwilligen van 's menschen lagere vermogens, begeerten en driften, welke slechts in de zinnelijke natuur voldoening erlangen; terwijl de vormen, onder welke het Idealisme zich vertoont, dit eigendommelijke aan zich dragen: het erkennen en volgen van 's menschen hooger geestelijk levensbeginsel, zijne rede en hoogere begeerten, die alleen" in eene hoogere geestelijke orde van dingen voldoening kunnen vinden. — Van deze algemeene opmerking gaat de Schrijver meer tot het bijzondere over, om ons namelijk uit den aard van den mensch zeiven en van de hem omringende natuur, waarmede hij in betrekking staat, overtuigend en echt - wijsgeerig te doen zien, hoe genoemde behoefte hare bron heeft in 's menschen natuur. Hij doet ons daartoe vooreerst lellen op het tweevoudige van 's menschen wezen, het ligchamelijke en geestelijke bestanddeel, waardoor hij tot de stoffelijke en de geestelijke wereld

1842. 19

Sluiten