Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God, in het Evangelie is gegeven, niet van elders is overgenomen. Trouwens noch bij de Grieken, noch bij de Joden vinden wij zulk eene verhevene voorstelling van Gods weien, als in het Evangelie. De Godheden bij het Grieksche volk, bij de groote menigte, zyn met menschelijke deugden en gebreken toegerust. De Godheid der Epicureërs is een wezen, gelukkig in zijne stille rust. Herodotus teekent ons de Godheid als nijdig, wangunstig, onrustig, die vermaak vindt in der menschen smarten, en hun wel eens goed doet, maar met het doel om later, door terugneming van dit goede, hen des te dieper te grieven. Bij ptthagoras verschgnt de Godheid in meer beminnelijk licht. Door het bevorderen van waarheid en weldadigheid wordt zij het best nagevolgd. Nogtans is zijne Godheid geen licht, geene liefde, geen zuiver geestelijk wezen. Veel verhevener is de voorstelling der Godheid by plato , maar blijft verre beneden de Evangelische. Wel is de Godheid bij hem een wezen , 't welk uit liefde de wereld uit eenen woesten chaos heeft gevormd naar de ideën des schoonen, waren en goeden, maar niet geschapen; wel is zijne Godheid eeuwig, maar met dezelve nog twee bestanddeelen, de stof en de ideën; de Regeerder, maar van het groote, niet van het geringe; der menschen Opvoeder, maar niet van weerspannigen, niet degene die zondaren tegemoet komt en hun vergeeft om ze te verbeteren. Ran misschien de Stoïcijnsche voorstelling der Godheid de vergelijking met de Evangelische doorstaan? Maar hunne Godheid is immers de wereldziel, een wezen, hard eu koud als staal; wel de Bestuurder der dingen, maar onder de voogdg staande van het noodlot; heilig, maar terugstootend, geen liefhebbend vader zijner schepStlen. In deze

Sluiten