Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

do magtigo openbaring van het leven des Zoons van God insgelijks langzamerhand verdwijnen. — Doch gelijk de gemeenschap met God op schuldbesef van des menschen kant, en schuldvergeving van Gods rijde berust (1), zoo strekt ook de zending van Gods Zoon bepaaldelijk lot voorziening in deze behoefte. Hij is eene verzoening voor onze zonden (2) ; of, gelijk de vertaling juister zal zijn, eene bedekking rondom onze zonden (3) ; ja zelfs, rondom de zonden der geheele icereld (4). Welke intusschen ook dc ware vertolking van het woord , hier door verzoening bij de Onzen vertaald , zijn moge: in allen gevalle drukt hetzelve datgene uit, wat, aan den eenen kant, het gevoel van zonde en schuld, die de zending van den Zoon Gods noodzakelijk maakten, moet opwekken in het hart van den zondigen en schuldigen mensch. Terwijl aan de andere zijde diezelfde bewoording in Hem het onderpand en den waarborg van de vergevende liefde des hemelschen Vaders ontwijfelbaar moet doen kennen. Hem zóó te kennen, moest, door den drang der dankbaarheid cn der liefde, te meer naar de gemeenschap met dien Zoon begeerig maken. En wie nu in deze gemeenscha]) deelde, en geestelijk met Hem in waarheid vereenigd was, die was het ook met God zeiven. De naauwste levensgemeenschap lusschen Hem cn den Vader had, door de gemeenschap met den Zoon, dan plaats gegrepen (5). De regte kennis van God vloeide daar, als een eigenaardig gevolg, uit voort;

(1) Zie boven 1)1. 466. (2) 1 Joh. II: 2. IV: 1-0.

(3) Vergelijk het hierover opgemerkte door hetbeks vak der loEir in Waarheid cn Liefde, Jaargang 1839, I. 128, in de noot.

(4) 1 Job. II: 2. (5) V: 20.

Sluiten