Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in hun beroep, niet omdat zij te weinig geleerd hebben, maar omdat hun de elementairste wijsheid voor de behandeling van de medemenschen ontbreekt, omdat zij geen echte orde, geen stiptheid en geen trouw aan hun woord in geschreven en ongeschreven zin hebben leeren kennen, omdat zij zoomin weten te gehoorzamen als te bevelen, en omdat het hun nooit duidelijk is geworden, dat en waarom ten slotte „eerlijkheid toch nog de beste politiek is".

Hoe gewichtig zou het zijn in de hoogste klassen, deze betrekkingen tusschen beroep en karakter grondig toe te lichten, en een beroepsmoraal te schetsen, die de ethische gevaren en ethische voordeelen van ieder beroep bespreekt, en door middel van voorbeelden, de beroepsverantwoordelijkheid aantoont.

Een beroepspaedagogiek, die zulke invloeden stichten wil, moet dan natuurlijk haar doelwit zeer hoog stellen : onder beroepsopvoeding mag zij niet een loutere aanpassing van den mensch aan het beroep verstaan, maar ten minste evenzeer een aanpassing van het beroep aan de hoogere eischen der ziel : de mensch moet het beroep niet passief op zich nemen, zooals een lastdier

de voor hem bestemde vracht, maar hij moet zedelijk actief in het beroep indringen en het stoffelijke en het technische aan het geestelijk leven dienstbaar zoeken te maken.

Zoo moet de koopman b.v. zich niet passief aan al de slechte gebruiken van de mededingers en de mode onderwerpen, maar aan de loutering van het economisch leven en aan de veredeling van de behoeften medewerken. Door middel van zulke beschouwingen zouden ook voor de „ethiek van den schoolarbeid" geheel nieuwe motieven kunnen gevonden worden.

De knaap is gaarne „groot" in het licht der beroepsverantwoordelijkheid ja zelfs der diepere beroepsbekwaamheid, moet men dus aantoonen wat stiptheid, eerlijkheid, en soliditeit van den arbeid beteekent voor het blijvend welslagen van een arbeider, en hoe kinderachtig en kortzichtig de geheele politiek van de bedriegerij is. Welken overvloed van gelegenheden bieden hier de menigvuldige voorvallen van het schoolleven, en hoe gewichtig is het niet hier bij voorbaat het kunnen en het weten met het gebied van het geweten te verbinden 1). *

i) Naar Dr. F.W. Forstermoraalpaedagogische problemen uit het schoolleven.

INTELLIGENTIE-ONDERZOEK IN HET LEGER

G. D. ZEGERS.

Einde 1922 werd door den toenmaligen Minister van Oorlog een commissie benoemd van officieren onder voorzitterschap van Prof. Dr. F. Roels met opdracht na te gaan, welke methode van recrutenonderzoek voor kaderopleiding, seiner, telefonist e.d. voor de verschillende wapens, voor invoering in aanmerking kon komen. In 1924 kwam de commissie met het eerste

gedeelte van haar opdracht gereed door de vaststelling van het Algemeen Practisch Intelligentie-onderzoek, met welks regeling en verdere bewerking het permanent Bureau te Utrecht belast werd, dat tevens een begin te maken had met het specialisten-onderzoek. Luitenant H. IJ. Groenewegen Jr. werd de leiding van dit permanente bureau opgedragen.

Sluiten