Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en aanpassingsvermogen mijner leerlingen, maar toch durf ik te beweren, dat de thans gevormde metselaars beter onderlegd zijn dan de meesten, die direct in de practijk gegaan zijn.

Het eenige, dat zij nog missen, is practische routine, maar .... die kunnen wij ze hier niet geven."

Ten slotte bezichtigden wij een serre van een aangrenzend huis, waarvan het metselwerk geheel was verricht door de leerlingen der omvormingscursus.

„Het werk ziet er best uit, aldus de directeur van de Ambachtsschool, maar ze hebben er dan ook wel hun tijd over gedaan!" „Het eenige dat wij nu nog noodig hebben, vervolgde de heer Kuyntjes, is de gelegenheid om onze menschen practisch aan het werk te zetten, ten einde ze op die wijze de noodige vlugheid bij het werk te doen aanleeren. Maar hierbij doet zich een groote moeilijkheid voor. De vakvereenigingen, die van het begin af al niet veel voor den cursus voelden, werken ons nu bij het plaatsen van deze menschen tegen.

Bij de grootere werken neemt een groep metselaars voor eigen rekening het metselwerk onderling aan; de aannemer besteedt het aan hen uit, zoodat door dezen aannemer geen metselaars meer in dienst worden genomen. Nu zien deze groepen-metselaars in zoo'n vervormden opperman of grondwerker niet een collega, nog minder een misdeelden broeder, maar hun concurrent, een markten loonbederver.

Hoe grooter het succes van den omvormingscursus, hoe meer kans is er dat er meer worden omgevormd, met als gevolg, meer concurrentie.

De Raad heeft destijds ook gelden gevoteerd om hen, die de metselaars, van den cursus komend, in dienst nemen, financieel tegemoet te komen, als vergoeding voor e.v. te lijden schade, doordat zij nog geen volwaar¬

dige metselaars in dienst krijgen. De hoop is er nu op gevestigd de mannen spoedig bij practsich werk aan het bouwen te kunnen zetten.

De centrale raad voor voorlichting bij beroepskeuze te Londenx). Het eerste jaarverslag van den Centralen Raad, voor Voorlichting bij beroepskeuze te Londen bevat een aantal belangrijke gegevens, die ook voor ons land de aandacht verdienen. Het verslag opent met een kort historisch overzicht. De eerste erkenning van de behoefte aan voorlichting en steun voor jongens en meisjes bij hun overgang van de school naar het beroepsleven is van regeeringswege gegeven in de Schotsche Educational Act 1908. Voor dien tijd moesten de ouders maar zien, wat zij met behulp van de voorlichting der onderwijzers er van terecht brachten. Hier en daar werd eenige hulp verleend door vrijwillige krachten.

In 1909 werd de wet op de Arbeidsbeurzen aangenomen. Bij de behandeling dezer wet wezen enkele parlementsleden erop, dat jongens en meisjes, zoo van de school komende, niet behandeld mochten worden op dezelfde wijze als volwassen werknemers. Tengevolge daarvan gaf de President van de Board of Trade een aanschrijving, dat speciale voorzorgen genomen moesten worden bij de behandeling van jeugdigen aan de arbeidsbeurzen.

In de wet was aan den Board of Trade het recht gegeven zich met andere autoriteiten in verbinding te stellen ten einde samen te werken in het belang der arbeidsbeurzen, en commissies in het leven te roepen, teneinde advies te geven bij het beheer der beurzen. De Board of Trade kon derhalve algemeene regelen stellen voor het beheer der arbeids-

i) The London advisory Council for juvenile employment. First Annual Report 1924/1925- Printed and published by his Majesty's statioaery office 1925. Tijdschr. N.W.R. nr. 1, 1927-

Sluiten