Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en smeeking, offeren zij voortdurend het Lichaam en Bloed van het Onbevlekte Lam. Onmiddellijk tot heil der zielen, maar in laatste instantie tot Gods eer en lof, dienen zij de sacramenten toe. Zij zijn door onderrichting en predikatie de verkondigers van God, van zijn volmaaktheden en zijn werken. Uit naam der Kerk moeten zij dagelijks God loven door het bidden der getijden. Zoo een instelling of vereeniging de heiliging van Gods naam, de komst van zijn rijk, en de naleving zijner wetten, of hoe dan ook zijn glorie wil bevorderen : dan is de priester de aangewezen persoon om daartoe den eersten stoot te geven, met raad en daad behulpzaam te zijn, de beweging in goede banen te houden of nieuw leven en kracht er aan te schenken. Komt het initiatief niet van hem, het werk moet toch zijn belangstelling hebben en heeft recht op zijn steun en leiding. Zoo rekenen ook de eenlingen op hem, op zijn leering, vermaning, desnoods berisping, waar het geldt den volmaakteren dienst en de meerdere eer van God. Hij staat voor de belangen van God, om ze alleszins te bevorderen, en de schending ervan te wreken door berisping of door eerherstel. „Ook

heeft de Heer beschikt voor die het evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie zoudeneten." (I Kor. IX 14). En het woord van Paulus blijft van kracht: „Niemand die als soldaat dient, houdt zich bezig met de zaken van het leven, en dat om aan den legeroverste te behagen." (II Tim. II 4) : niet enkel Christus, maar ook aan de geloovigen, zou de priester mishagen, wanneer hij anders deed. Ten slotte zijn de priesters, door wil en verkiezing des Heeren, zijn helpers en plaatsvervangers, tot voltooiing van het werk, dat Hij tot glorie van zijn Vader heeft ondernomen. En zoo blijkt dan uit de bedoeling van „den grooten Herder der schapen" (Hebr. XIII 20), „den Opperherder" (I Petr. V 4), die hem deelachtig maakte aan zijn herderschap, — uit het doel aan de zaak eigen, uit het wezen, de bedieningen en de middelen van het priesterschap, — uit allerlei beschouwingen en de algemeene opvatting : dat de ijver voor Gods eer een niet te miskennen eisch is, en op den priester de plicht rust om overal en altijd voor Gods eer te waken en te zorgen, alle oneer God aangedaan te wreken en te herstellen. • DR. W. GEERTS, M. S. C.

DE GENEESKUNDIGE BEROEPSKEUZE BIJ LIJDERS AAN LONGTUBERCULOSE.1)

II

Volgens de meeste schrijvers kunnen wij de volgende schadelijke factoren onderscheiden, welke van belang zijn voor het ontstaan of verder voortschrijden van de longtuberculose :

x. arbeid in gesloten vertrekken,

2. inademing van verschillende stofsoorten en opname van bepaalde vergiften.

3. zware lichamelijke inspanning.

Welke eigenlijk de theoretische gronden zijn

om den arbeid in goed ingerichte ateliers en werkplaatsen als bijzonder nadeelig voor lijders aan longtuberculose te kenmerken, is mij nooit recht duidelijk geworden. Zeer zeker bestaat de mogelijkheid van contactinfectie ; zeer zeker is statistisch het aantal sterfgevallen aan tuberculose in deze vakken

J) Overgenomen uit het Tijdschr. voor Sociale Geneeskunde. Dec. 1926. blz. 164 — 272.

Sluiten