Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waarom toch, gelijk de Schrift getuigt, vertrouwde Jezus Zichzelven niet aan de velen die, bij het zien der wonderen die Hij wrochtte, in Hem geloofden? Waarom anders dan omdat Hij hen allen kende, en wist dat zij wel geloofden, maar niet beminden ? (Joan. II 23-25). Wat de zielen en de kudde betreft, zegt zeer terecht de H. Bernardus : „Hoe zou Hij zoo teer geliefde zielen aan een niet-vriend toevertrouwen ?" (De conv. ad cler. cap. XIX). Alvorens aan Petrus zijn lammeren en schapen te weiden te geven, liet Hij hem tot driemaal zijn liefde belijden. Uit de namen die Christus gaf aan Zijn Apostelen, blijkt duidelijk in welke verhoudingen Hij wenscht, dat hun opvolgers, de bisschoppen, en de priesters die hen helpen, tot Hem staan. ,,Ik noem u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet, maar u heb Ik vrienden geheeten, want alles wat ik van mijnen Vader gehoord heb, heb Ik u bekend gemaakt" (Joan. XV 15) : een knecht, en zelfs een zoon, wordt hen ingewijde in de geheimen der zaak en een vriend, den dag dat de heer of vader hem maakt tot zijn geassociëerde: dan is het een eisch, dat allen hart hebben voor dezelfde taak en eensgezind werken. Na elke priesterwijding blijven die woorden, door den bisschop herhaald, in de ziel naklinken tot eeuwige verblijding der wijdelingen. Na zijn verrijzenis zendt Christus Maria naar de apostelen met de woorden : „Ga naar mijne broeders, en zeg hun : Ik klim op tot mijn Vader en Uw vader, en mijn God en uw God" (Joan. XX 17). De priester heeft macht en last om het Evangelie te verkondigen. Doch hoe het evangelie te verkondigen zonder het groote gebod der liefde te prediken ? De Verlosser getuigde : „Ik ben gekomen om vuur op aarde te brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds ontstoken worde" (Lk. XII 49). Het is de taak der priesters de wereld in vlammen te zetten :

om wat koud is te verwarmen, en lauwe liefde op te wekken. Wat baat de rest, als de liefde ontbreekt ? „Zoo ik alle geheimenissen weet en alle kennis bezit, en zoo ik alle geloof heb zoodat ik bergen verzet, — maar geen liefde heb, dan ben ik niets. En zoo ik al mijn goederen tot spijs uitdeel, en zoo ik mijn lichaam overgeef om mij te laten verbranden, maar geen liefde heb, dan baat het mij niets." (I Kor. XIII 2-3). Vooral in deze tijden, nu de ongerechtigheid de overhand neemt en de liefde van velen verkoeld is (Matth. XXIV 12), wil Christus als het grootste redmiddel, prediking van zijn H. Hart en zijn onuitputtelijke liefde. Doch hoe die liefde gepredikt en liefde er door opgewekt, als men niet zelf eerst geestdrift werd en vurig leerde beminnen ? Men moet vuur zijn, om te ontsteken.

Waar een mensch zijn schat heeft, is ook zijn hart (Mtt. VII 21). En ieder mensch pleegt zich met hart en ziel aan een verheven ambt en edele taak te geven, vooral wanneer zij niet enkele uren, maar al zijn tijd en zijn krachten van hem vorderen, en niets anders hem opeischt en in beslag neemt, en dus ook niets geest en hart kan afleiden. En moeilijk is het denkbaar, dat iemand in een hoogst verheven arbeid van een hoogst edel man altijd een deelgenoot is en medewerker, en bij voortdurend contact geen liefde opvat voor het werk en den meester. Wat dan te zeggen van den priester bij den verhevensten arbeid waarin hij deelt met Christus ? Koelheid en onverschilligheid waren een pijnlijke verrassing. Men heeft het volste recht iets anders te eischen en te verwachten.

We mogen dus besluiten met de woorden van den H. Laurentius Justinianus : „Sla acht op wat de Middelaar deed : en ge zult niets in Hem vinden, dan ijver voor de eer van zijn Vader en voor het heil der zielen," Zie toe, o priester, en volg zijn voorbeeld

Sluiten