Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorschijn komen, vraag ik het, maar ik kan er geen woord uitkrijgen. De koelies blijven hun gang gaan, en ik loop ze maar achterna.

Opeens staan we voor een rivier, kousen en schoenen uit en we waden er doorheen. Een poosje later een tweede rivier, gelukkig de laatste. Plotseling verschijnt dichtbij ons een groot, wit huis : het klooster van de zusters. Ik ben dus te Kesramal. Daar komt de overste van Cangpur me verwelkomen.

Na vele jaren van voorbereiding kan ik eindelijk mijn werk als missionaris aanvangen.

Een paar dagen later zat ik op mijn GclUW op d6 flGtS kamer Sadri te leeren. « Pater », zei

de overste, « ga eens naar Tunmura om een man te bedienen. Neem de fiets maar, want het is een achttien km. van hier. Judas the Panch zal je den weg wijzen. »

Haastig al het noodige in een zak, en met een sprong de fiets op. Mijn metgezel vertelde mij, dat de man op sterven lag en dat er geen tijd was te verliezen. Ik kan u verzekeren, dat we er van door gingen ! Na een uurtje bereikten we het dorp. Een man, die mij tegemoet kwam, zei mij een paar woorden, waar ik genoeg uit begreep : te laat.

« Ja, pater », zei Judas, « de man is juist overleden...

Vlug dan », antwoordde ik, « we kunnen toch nog iets doen. »

Eenige oogenblikken later kwamen we in het dorp zelf en vonden de vrouwen op oostersche aangrijpende wijze aan het klagen. De katechist Boas kwam op mij toe en sprak : « Hij stierf net een half uurtje geleden. Misschien kunt u hem nog de sacramenten toedienen. » In de hut, — alle menschen waren buiten gegaan om voor ons plaats te maken, — vonden we het lijk op den grond liggen. Voor het eerst sprak ik in die lage hut de heerlijke gebeden uit van vergiffenis en hoop, die de H. Kerk over de stervenden uitspreekt. Ik gaf de absolutie, het H. Oliesel en den pauselijken zegen, alles onder voorwaarde.

Toen nog een woordje van troost voor de familieleden met een opwekking om voor de zielerust van den overledene te blijven

Sluiten