is toegevoegd aan je favorieten.

Dietbrand; maandschrift, jrg 5, 1938, no 8-9, 01-08-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgebeuld en mijn vader geholpen om zich weer op te werken uit nood en armoe ? »

Ook de zuster trok een scheef gezicht.

« Zou deze leelijkerd mijn broeder zijn ? » dacht zij. « Als ik mij in zijn gezelschap onder de menschen vertoon, gaan allen op den loop. »

Koellerwo leefde nu op het hof van zijn vader. Maar het ging hem niet veel beter dan indertijd bij Oetamo. De broeder schoof al het werk op zijn hals, waarvoor hijzelf zich te schoon achtte, de vader schold hem uit bij het geringste, dat hij verkeerd deed, de zuster sprak ternauwernood een woord met hem en schoof aan tafel immer de hardste en de slechtste brokken naar hem toe. Alleen zijn moeder was altijd even goed en nam hem tegen vader en de andere kinderen in bescherming. En voortdurend moest hij denken aan Oentamo.

« Hij is de schuld van alles. Hij heeft mij tot een schrikbeeld voor de menschen gemaakt. Niet eerder zal ik rust hebben, dan wanneer ik mij op hem gewroken heb. »

Hij ging voor zijn vader staan en sprak :

« Ik wil mij naar de hofstee van Oentamo begeven en wraak nemen voor het kwaad, dat hij ons allen heeft aangedaan. » « Doe wat je niet laten kunt », antwoordde zijn vader. « Oentamo gaat mij niets meer aan. Ik ben blij, dat ik hier in vrede leven mag. »

« En als ik niet terugkeer, als ik val in den kamp, zult ge dan verdriet hebben, vader ? »

« Waartoe verdriet ? Dat heb ik gehad, toen je ons ontroofd werd, maar dan heb ik een tweeden zoon gekregen, die je plaats voortreffelijk heeft ingenomen. Aan jou beleefde ik niet veel plezier sedert je hier bent. »

Toen keerde Koellerwo zijn vader den rug toe en ging naar zijn broeder.

« Ik trek er uit om wraak te nemen op Oentamo. Wil je met mij meegaan, broeder ? »

« Wat kan mij Oentamo schelen ? » zei de broeder. « Ik was er immers nog niet, toen hij met mijn vader in strijd lag. Ik ben een vreedzaam mensch en mijn zinnen staan niet op krijgsroem. Ga waar het je goed dunkt. »

« En als ik niet meer terugkom ? »

« Dan moet ik het erf ook met niemand deelen ».

Bedroefd verliet Koellerwo zijn broeder en ging naar zijn zuster toe.

« Ik trek in den strijd en in 't gevaar, zuster, en weet niet of ik nog ooit terugkeer ».

« Dat kan goed voor mij zijn, als je niet terugkeert » zei het meisje. «Vroeger wees ik alle vrijers af, omdat zij mij niet