is toegevoegd aan je favorieten.

Dietbrand; maandschrift, jrg 5, 1938, no 10, 01-09-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOODSSLAAP

Mijn God, dit leven is een lust, een vreugde !

Wij borgen 't graan ter schuur, het rijpe fruit in koele donkert' — en de herfstboot glijdt langs bronzen gaarden, milde zon in 't zeil,

de dagen door, die zoet als honig zijn.

Wij stoken zacht het vuur bij d'eerste kilt',

naproevend Zomers gloed in peer en druif.

De Winter is nog ver. Een zwarte wolk,

die aan de kim opdoemt en angst verwekt,

drijft spoedig af. De lucht wordt zilverklaar weer over 't land. Een jachtschot breekt de stilt', die schooner, glanzender nadien ontstaat.

O, kostbre vree! — Maar gij zijt laf en ziek,

waar, zooals hier, een volk zijn hoogen geest,

die wonders eens verrichte, wreed verloor

en in 't verlies berust. Wie slaat de trom,

dat op 't gebom dit volk grijpt schild en zwaard

der vaadren ? Wie, wie laadt het oude roer,

dat boerenhand ontzonk en aan den wand

te roesten hangt 1 — Is alle kamp vergeefsch

en 't manen tot den kamp wind zonder stèm

voor u, o veel'verraden volk 1 Uw kracht

een opgerolde vlag, uw leus 'n woord

van afscheid zonder wee : « Vrijheid, goênacht » 1 !

WIES MOENS