is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 5, 01-05-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rekenen." — Ik weet wel, dat ik voor z o o d a t ook w a ar d o o r of waarom kan lezen, maar daarom behoeven de woorden niet tot dezelfde woordsoort te behooren. Leest men een zin , door één dezer woorden ingeleid , als hoofdzin, dan valt z o o d a t weg, terwijl waardoor en waarom, daardoor en daarom worden : Hier begon hij zeer zacht te spreken, ik kon daardoor geen woord meer van het gesprek opvangen; Hij heeft mij schandelijk bedrogen, ik vertrouw hem daarom nu ook deze zaak niet toe ; De Heer von Beaumont heeft iets met u te verhandelen, wij zullen u derhalve verlaten. Brengt men deze zinnen tot de bijwoordelijke, dan moet men, wil men consequent handelen, ook de zinnen , ingeleid door alwaar, waarna, waarop, bijwoordelijke zinnen noemen. Hoe Den Hertog waarom, waardoor als voegwoorden kan beschouwen, terwijl uit zijne redeneering op blz. 71 juist moet volgen, dat ze bijwoorden zijn, begrijp ik niet.

„Bij de zes eerste dezer woorden" — waar, vanwaar, werwaarts, waarheen, toen, wanneer — „weifelt men vaak, tot welke klasse van woorden zij te brongen zijn. Het feit, dat zij in dit geval niet te vervangen zijn door hunne vertalingen: op welke plaats, van of naar welke plaats, op dien tijd en op welken tijd, beslist dat het geen bijwoorden zijn." Hieruit moet, dunkt mij, volgen, dat ze, zoo ze wel door hunne vertalingen te vervangen zouden zijn, tot de bjjwoorden zonden moeten gebracht worden. Dit nu is wel het geval met waarom en waardoor: Ik heb kou gevat, waardoor of door welke oorzaak ik de kamer moet houden; Hij heeft mij schandelijk bedrogen, waarom of om welke reden ik hem nu ook deze zaak niet toevertrouw.

10. Vergelijkende zinnen.

§ 84. „Deze bijzinnen houden eene vergelijking in, die dient ter bepaling van den inhoud van den hoofdzin of van een deel daarvan."

§ 85. „Wanneer de bijzin dient als eenvoudige vergelijking, vermeldt hij eenvoudig een geval, dat gelijk of schijnbaar gelijk staat met hetgeen in den hoofdzin is uitgedrukt. Dan behoort de bijzin dus eigenlijk bij den geheelen hoofdzin.

„ Gelijk bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huiskamer