is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 6, 01-06-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet consequent genoeg heeft gedaan, namelijk door in gesloten lettergrepen het onderscheid niet in echrijfteekens uit te drukken. Integendeel, daardoor heeft zij de gelijkmaking dezer klanken in de hand gewerkt, en zoo iets heeft de schrijftaal vaak gedaan.

Sinds het menschdom is gaan schrjjven en spel- en leesonderwijs is gaan geven , is de klanktypeering sterk toegenomen. Ook in dit opzicht heeft de schrijftaal een belangrijken invloed op de spreektaal geoefend. Had zij van den aanvang af zuiver phonetisch kunnen zijn, wat natuurlijk onmogelijk was, dan zou zij tot typeering veel minder aanleiding gegeven hebben, dan nu het geval was, nu zij bijna overal bij hare invoering zich moest vergenoegen met de overgeleverde schriftteekens van eene andere, vroeger in schrift gebrachte taal, en veel minder teekens bezat dan klanken, zoodat geringe klankverschillen niet konden uitgedrukt worden en voor sommige klanken een teeken moest gebruikt worden, dat in de schrijftaal, die tot model diende, eigenlijk een eenigszins anderen klank aangaf.

Dat het Oudhoogduitsch voor den umlaut van ü nog geen afzonderlijk teeken bezat en dien soms in het schrift verwaarloosde (dus ü gebruikte), maar hem meestal weergaf door het teeken voor den tweeklank iu , is vermoedelijk de oorzaak geweest, dat beide klanken reeds in het Middelhoogduitsch (blijkens het rijm) zijn samengevallen en reeds zeer vroeg in het Beiersch-Oostenrijksch beide den ui-klank hebben aangenomen , die in het Nieuwhoogduitsch tot heerschappij gekomen is en door eu (of, als de umlaut nog herkenbaar is, door au) wordt afgebeeld.

Dat in het beschaafd Nederlandsch zoovele woorden (met name die met lange klinkers) geenen umlaut hebben, ofschoon die in bijna alle tongvallen voorkomt en ook niet overal door de werking der analogie verwijderd kan zijn, is vermoedelijk te wijten aan het schrift, dat er geene afzonderlijke teekens voor had en alleen sommige door de teekens voor andere oorspronkelijke klanken, zooals den umlaut der korte a door het teeken voor de e, aanduidde.

Ook komt het mij waarschijnlijk voor, dat de zuivere uitspraak der oorspronkelijk lange d bij ons, zoo al niet uitsluitend, dan toch grootendeels, aan den invloed van het schrift moet worden toegeschreven. Op het oogenblik toch heerscht die zuivere lange d, buiten den kring der beschaafden, maar in een zeer klein gedeelte van ons land, namelijk in het Westen van Zuid-Holland benoorden de Maas en in het Zuiden van Kennemerland. De Friezen zeggen