is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 6, 01-06-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ven, schoone waarheid insluit. Zoo spreekt men ook van iets pittigs, een pittig gezegde. Een pit (men denke aan vruchten, als pruim, perzik, kers) kan gekraakt worden; daardoor komt het zaadje te voorschijn, dat eetbaar is. Een pit, die zoo hard als steen is , kraakt men niet; allicht zou men gevaar loopen bij het kraken zijn gebit te bederven.

Nu heeft een dichter (?) beweerd , dat zijne verzen pit hebben. De criticus denkt dadelijk aan eene vrucht met zeer harde pit en hij voor zich acht het de moeite niet waard, dezen steen te kraken, hij zal zijn gebit er niet aan wagen, d. w. z. hij heeft niet den minsten lust om naar het schoone, dat in 's dichters woorden verborgen moet zijn, te zoeken.

2. Gij, die gaarne gelezen wilt worden, schrijf niet zooals het u maar invalt. Daarmede willen we volstrekt niet zeggen, dat gij naar gemaaktheid moet streven, dat evenmin. Ongemaakt en toch weer iets meer dan alledaagsch moet uw werk zijn.

3. Een diamant voor 't eerste water = een diamant van ongemeene en onverdachte zuiverheid. Ruwe diamant = ongeslepen diamant (hier wijst dit woord er op, dat Vondel iemand was, die geene wetenschappelijke opleiding genoten had). Orfeus = de oude zanger en dichter van Griekenland, in wiens persoon de grijze fabel alle krachten van muziek en poëzie vereenigde. Schaafrend spreeuw geschater. De spreeuwen zijn de mindere broeders, die gewoonlijk het meeste leven maken om de aandacht tot zich te trekken.

Eenvoudig man, zonder wetenschappelijke opleiding, spreidde Vondel, die zich zeiven tot die hoogte opgewerkt had , een ongeevenaard , schitterend talent ten toon, al is het waar, dat hij nu en dan aan de Ouden kunst en stof ontleende. Zijne luidschreewende, in de kunst minder bekwame tijdgenooten, liet hij ver achter zich. Door zijne werken heeft Vondel niet weinig bijgedragen tot de vooruitgang onzer letterkunde. Bilderdijk vraagt verzuchtende , waarom er te midden van al die nakomelingen niet weer eens een man is opgestaan , die recht had op evenveel hulde als Vondel.

II. Iedere vergelijking heeft haren Achilleshiel wil bijna hetzelfde zeggen , als: bij de vergelijking van twee zaken met elkaar zijn er altijd onderdeelen, waarbij de vergelijking niet opgaat.

Dat is kaf dorschen wil bijna hetzelfde zeggen als: Dat is een nutteloos werk verrichten.

35*