is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 12, 1913, no 14, 05-04-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(hetzij door eenigen meerderen invoer van vee, van versch of van bevroren vleesch.

Indien dat voorzichtig gebeurt zal het de binnenlandsche landbouwbelangen niet benadeelen en ook de internationale verhoudingen op de vleeschmarkt zal het niet benadeelen, want er heeft geen ontwikkeling in eenzijdige richting plaats. Het overschot van het eene land gaat naar een ander waar tijdelijk tekort is.

Inhoever.nu de regeeringsmaatregelen daarin zullen slagen, of ze soms te ver of niet ver genoeg gegaan zijn, ligt buiten het kader van dit opstel, en de Nederlandsche lezer heeft daar geen belang bij.

Het vraagstuk als zoodanig is echter ook voor den Nederlander van het allerhoogste belang, omdat het een der meest principieele vraagstukken van welvaartspolitiek is.

Bovendien zullen wij binnen afzienbaren tijd zelf misschien praktisch precies eender voor het vraagstuk staan als Duitschland thans staat, en zooals ook reeds een kleinere staat als België er voor staat.

Daarmee rekening te houden is nuttig en voorzichtig.

EMILE VERVIERS.

BIOSCOOPCENS UUR. — I.

Bij de uitbreiding der bioscoopbeweging zijn ook de gevaren aan deze beweging verbonden steeds scherper en duidelijker aan het licht getreden. De tijdgeest, heerschende bij het aanwenden der bioscoop als ontspanningsmiddel, bracht reeds films ten tooneele, die uit moreel en opvoedkundig oogpunt beslist afkeuring verdiende.

Sindsdien is echter de beweging nog uitgebreid, de machines werden verbeterd, aan de opnamen werd alle zorg besteed, de theaters werden steeds prachtiger en grootscher, en de onderlinge concurrentie deed het peil der vertooningen steeds dalen.

De gemakkelijk te behalen groote winsten dreef allerlei elementen tot de bioscoop-industrie en filmfabricage, die het met de moraal en de opvoeding der menigte niet zoo nauw namen: er eerder op uit waren de slechte hartstochten van het volk in 't gevlei te komen en te prikkelen uit laag winstbejag.

Dat is het gevaar geworden, waartegen thans in woord en geschrift zoo krachtig wordt gestreden.

Ook door de daad? Ja! hoewel nog te weinig. Allereerst zij hier gewezen op de bioscopecommissies, die hier en daar zijn ontstaan. Doch meest in kleinere plaatsen:. Omdat ze ook alleen maar iin die plaatsen kunnen bestaan. In de groote steden van ons land zal zulk een commissie geen succes hebben.

Hier moet anders en krachtiger worden ingegrepen. Verder wijzen wij op de energieke daad van het Centraal Bureau der K. S. A., dat, het gevaar inziende, dat het volk bedreigde door de geest en gevoel bedervende bioscopevoorstellingen, een maatschappij als bioscoopcentrale oprichtte, en zoo krachtig den strijd opnam tegen het kwaad.

Zullen echter zoodoende al velen worden beschermd

tegen het gevaar der immoreele films, toch zal er dagelijks een groote massa menschen door ons geheele land zijn blootgesteld aan den verlagenden invloed der bioscopen.

Dat kan ons niet onverschillig laten. In het volksgeheel hebben wij rekening te houden ook met die menigte. Want ook zij oefent haar invloed op de samenleving en haar geestelijk peil.

En wat zal het ons helpen onze eigen menschen te hebben beschermd tegen de gevaren, waarmede de bioscoop hen bedreigde, wanneer indirect die invloed zich toch kan doen gelden?

Daar is slechts één middel om 'de slechte filmvertooningen voor een belangrijk deel te doen ophouden, nml. ze eenvoudig te verbieden, van hooger hand, instelling van een bioscoopcensuur.

Grooter en omvangrijker en indringender dan van een tooneelvoorstelling, is de stechte invloed van een bioscoopvoorstelling.

En al zal daarom menigeen terugschrikken voor tooneelcensuur, tegen een strenge filmcensuur kan geen bezwaar van aesthetischen aard worden ingebracht.

Want de films, die eenig hooger genot en leering verschaffen, vallen steeds buiten de toepassing der censuur, terwijl juist de onaesthetische, platte voorstellingen zouden getroffen worden.

In navolging van de Pruisische censuur, zouden wij ons zulks dan gecentraliseerd voorstellen, geldende voor het geheele land, zooals het thans na het laatste besluit van het ministerie van binnen! zaken te Berlij'n is ingevoerd.

Hieronder laten wij den tekst volgen van dit nieuwe besluit, terwijl wij eenige kantteekeningen erbij, ter verduidelijking van den thans bestaanden toestand, ontleenen aan een artikel) van Dr. Albert Hellwig, Berlin, Gerichten, in No. 1, II Bild und Film 1912—13, bl'z. 13, het uitstekende bioscooporgaan der Lichtbilderei van M.-Gladbach.

Ministerie van Binnenl. Zaken.

He 1538.

Berlijn, 6 Juli 1912.

Om de censuur der kinomatografische voorstellingen te versterken en tevens de plaatselijke politie bij de uitvoering der censuur te ontlasten en te steunen, komt een vergaande centralisatie daarvan noodig voor.

Ik bepaal daarom ter aanvulling mijner besluiten van 16 December 1910—He 2797 en van 30 April 1911 — Ila 753 het volgende.

1. De plaatselijke politie moet er op gewezen worj den, dat zij' voortaan den politiepresident in Berlijn moet Imededeelen, welke films haar zijn voorgelegd met het doel openlijk vertoond te worden voor zoover deze óf!

a. door den politiepresident te Berlij'n nog niet gekeurd zijn, of ook

b. door de, de mededeeling doende plaatselijke politie afwijkend van de Berlijnsche censuur worden beoordeeld. Dit is zoowel van toepassing op films, die in Berlijn werden toegelaten, daarentegen op andere plaat-