is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 12, 1913, no 38, 20-09-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werklieden te Amsterdam in 1903 leveren er het bewijs van.

Een ander bewijs voor de moeilijkheid der regeling is hetgeen op blz. 55 en 56 wordt geschreven:

„Alvorens van deze paragraaf af te stappen, wil ik nog een vraagpunt behandelen, wijl de oplossing daarvan bij de gemeente Amsterdam een eigenaardig licht er op werpt, waartoe de regeling van arbeidsverhoudindingen van overheidswege „van boven af" al niet leidt: hoe men van 't een in 't ander komt en regelingen treft, waarvan de inhoud zóó aan de geschiedenis is gebonden, en voor oningewijden zóó weinig aan den dag treedt, dat een goede toepassing ervan slechts kan worden verwacht, wanneer die geschiedt onder de auspiciën van dezelfde personen, die haar in gemeen overleg hebben ontworpen."

„De vraag die ik bedoel is: waarvoor — voor het verrichten van welke werkzaamheden, worden werklieden bij de Gemeente in dienst genomen? Tot welke praestatie zijn zij verplicht?"

Men moet hier de geschiedenis kennen om te weten hoe ingewikkeld deze schijnbaar eenvoudige vraag is. Daarna komt de moeilijkheid om te bepalen wat is „goed zedelijk gedrag", hetwelk als eisch wordt gesteld bij de vaste aanstelling. Het lijkt eenvoudig, doch begin er eens aan dit begrip in een werkliedenreglement voor de Gemeente te omschrijven. Hoe meer gij dat doet, des te grooter worden de moeilijkheden. Hoe meer men er over praatte in den Raad, zegt v. H. T., hoe verwarder de zaak werd.

Nog lastiger is de loonregeling gebleken. Daarbij zijn naar gelang van bekwaamheid, diensttijd en aard van werk verschillen onvermijdelijk. Een commissie van Hoofdambtenaren stelde in 1901 voor vijf loonklassen aan te nemen, elk met een eigen minimum en maximumloon, waarvan de hoogste alleen bereikbaar was voor bazen en voorlieden.

„Dat stelsel (blz. 61) is op papier niet onaanlokkelijk. Het schijnt althans het toppunt van industrieel beleid, een loonstelsel in te voeren, hetwelk de mogelijkheid opende, alle werklieden een loon te doen verdienen, dat, zooals de commissie het uitdrukte, „een juiste afspiegeling is van de diensten, welke hij aan de gemeente bewijst". Het is echter natuurlijk de vraag, in hoever die mogelijkheid kans van verwezenlijking heeft. In hoever dus 't iemand, met beschikbaarstelling van veel tijd en moeite mogelijk zou zijn bij een groot aantal arbeiders individueel voor ieder een juiste waar deering van zijn arbeid te vinden, in hoever het verder dien persoon zou gelukken met veel geduld en tact en tegemoetkoming zijn arbeiders voor zijn systeem in zoover te winnen en vertrouwen te doen stéllen in zijn beleid, opdat zij geen onverzoenlijke oppositie blijven voeren, en in hoeverre ten slotte al die sociale 1) deugden bij al de hoofden van dienst, die de loonregeling zullen moeten toepassen, collectief aanwezig kunnen worden geacht."

De Raadscommissie voor het Werklieden-reglement echter meende, „dat uit dit stelsel op den duur niet alleen groote verscheidenheid van loonen voor dezelfde werklieden bij de verschillende diensttakken zal ont¬

1) Als men sociaal hier in goed Hollandsch vertaalt, moet men aannemen dat de Heeren die «maatschappelijke" deugden op school hebben geleerd.

staan, maar ook, dat het tot zeer veel ontevredenheid bij de werklieden zal aanleiding geven, omdat, ook al is volgens dit stelsel de loonsverhooging binnen de klassen periodiek en automatisch, de beoordeeling van de vraag, of men tot een hoogere loonklasse zal opklimmen. naarmate van het persoonlijk inzicht van den chef, zelfs in verschillende onderdeelen van een diensttak , naar een geheel verschillenden maatstaf zal plaats hebben. Dit bezwaar werd ook door de werkliedenvereenigingen, met wie het concept der ambtenaren besproken werd, op den voorgrond gesteld". Het stelsel de werklieden te verdeelen in klassen is ten slotte bezweken aan het gebrek aan een kenmerk voor de onderscheiding van de verschillende klassen.

Welk niet te onderschatten bezwaar een loonregeling bij alle andere nog ontmoeten moet, wordt duidelijk gemaakt door de nuchtere mededeeling dat een opslag van 1 cent per uur voor alle op. een zelcer»oogenblik in dienst zijnde werklieden aan de Gemeente telkenmale twee ton zou kosten. 2)

Voor verdere uiteenzettingen moet ik naar het boek zelf verwijzen. Het is niet mogelijk ze beknopt samen te vatten, hetgeen ik op het oogenblik zeker betreur, omdat de zaak zoo belangrijk is en wel niemand meer dan de heer Tromp met warme en goedgemeende belangstelling de geschiedenis en werking van het Reglement van Amsterdam heeft nagegaan.

Zeer menschkundig is de opmerking op blz. 73: Zoodra er een overschot is te constateeren van de stijging van 't loon boven eventueele verhooging van de onderhoudskosten van het gezin op denzelfden levensvoet, is een eerste gevolg dat de behoeften van1 het gezin zich uitbreiden; menigmaal zelfs in sterkere mate. Hetzelfde ziet men gebeuren in alle kringen der maatschappij." Men zou uit deze woorden kunnen opmaken dat de schrijver er het hopelooze van inziet om een bevredigende loonregeling te maken zonder welke een sociaal arbeidscontract onbestaanbaar is.

Bij het bestaande arbeidscontract krachtens dit werklieden Reglement stuit men onophoudelijk op moeilijkheden bij den uitleg daarvan. Zij die slachtoffer daarvan zijn of meenen dat te zijn zetten daarom een actie op touw welke in alle instantiën wordt voortgezet en ten slotte hare uitdrukking vindt in een adres aan den Raad, die dan gaarne zich edelmoedig betoont met het geld van de burgerij. Een edelmoedigheid, die in den regel verwarring sticht door het verbreken van het verband van de bestaande loonstelsels en dus nieuwe acties in het leven roept. „Men gevoelt, zegt v. H. T., hoeveel moeite, last en tijd één zoo'n geval, één of enkele werklieden betreffende, aan het Gemeentebestuur en de directie der diensttakken kan kosten, hoe men zich dan over en weer in vele verhoudingen en hoe 't geval zich ook weer oorspronkelijk heeft toegedragen moet indenken en met welk betrekkelijk weinig resultaat." Burgemeester Van Leeuwen

2) Er zijn in dienst der Gemeente Amsterdam 7800 personen, wier> loon per week wordt gerekend. Eén cent per uur bij een werktijd van 54 uur is ƒ28.08 per jaar of in totaal ƒ219.000.—!