is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 20, 1897, no 1, 01-01-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het boek privilege aangevraagd en in 1637 is het werk in druk verschenen.

De Trou-ringli is een stevige kwartijn van ruim 900 bladzijden. In de uitvoerige Inleydinge vinden wij van alles. Nauwelijks begonnen met het uiteenzetten van het plan voor zijn boek, lascht Cats tusschen den tekst een versje in over de liefde en twee bladzijden verder nog een vers. In het laatstgenoemde gedicht vertelt hij van een jongeling, die door zijn vader in het woud is opgevoed en, als hij later met dezen naar de stad gaande meisjes ziet, op zijne vraag, wat dat zijn, tot antwoord krijgt: ganzen ; hij roept dan uit: „soo koopt my doch een gansje". Het verhaal is ontleend aan Boccacio's Decamerone; het is de Inleiding van den 4den dag. Dan volgt een gedicht over de aantrekkingskracht van mannelijke en vrouwelijke palmboomen ; de dichter volgde hier de Historia naturalis (boek XIII, hoofdstuk 7) van den bekenden Romeinschen natuurkundige Plinius, die in de 1ste eeuw na Christus heeft geleefd. Na tal van teksten vindt men nu een gedicht, waarin Cats iets van zijn leven en zijne manier van werken vertelt ; een brief aan Anna Maria Schuerman is in dat gedicht opgenomen. Dan volgt nog iets over het boek, o.a. deze verklaring: „Oock heb ick de gevallen in dit Werk gebruyckt niet erdicht, ofte in mijn eygen breyn gesmeet, gelijck het gebruyck van de Poëten veel plagh te wesen: maer ick hebbe beter gevonden, de geschiedenissen van goede schrijvers te ontleenen , om redenen by eenige geleerde wel aangewesen"; eene verklaring, die gesteund wordt door eene aardige plaats uit de Essais van Montaigne. Eindelijk vindt men een portret van Anna Maria Schuerman en eene opsomming van al hare talenten en kundigheden.

Het boek zelf is in vier deelen verdeeld; het eerste behelst eenige „Trou-gevallen" uit den Bijbel, het tweede eenige „ontleent van de oudste tijden naest de Bibelsche historiën", het derde „geschiedenissen onsen tijt naerder komende als de voorgaende, oock eenige onlanghs voorgevallen", het vierde „het Geestelick Houwelick". Dat die indeeling niet heel streng is volgehouden, blijkt o.a. hieruit, dat in de derde afdeeling de lotgevallen van Cleopatra en die van Rbodopis zijn opgenomen.

De eerste afdeeling bevat 5 Trou-gevallen, de tweede 4, de derde 6; zij worden allen in uitvoerige gedichten beschreven. Maar behalve deze vinden wij vele kleinere verzen , die ook merkwaar-