is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 20, 1897, no 3, 01-03-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het blok , de bank van den scherprechter. Hooft bedoelt er mede de folterbank, de pijnbank, slachtbank, zooals ook uit andere plaatsen blijkt, waar dit woord bij hem voorkomt. Zie het Taalk. Wdb. van Oudemans.

De andere gecursiveerde woorden leveren meer moeilijkheid op. De heer Leopold verklaart opghesteken door weggeborgen, in de scheede gedaan. Dit zou passen bij sweert, en Kiliaen vermeldt ook op-steken het sweerd, recondere gladium in vaginam, vagina ensem condere , doch wat beteekent dat in dezen zin ? Niet alleen de overwinnaars, ook de overwonnenen doen dat, zoodat dit moeilijk een teeken der victorie zijn kon. Is deze beteekenis van opsteken hier dus niet aan te nemen, dan blijft er niets anders over dan die van omhoog steken (Kil. in altum elevaré).

Doch wat beteekent dan het vuur opsteken ? Het vuur verbergen ? Dat geeft geen zin. Men zou kunnen denken aan ons tegenwoordig opsteken, fr. allumer, doch dat was in Marnix'tijd nog onbekend. 1). Eerst in de woordenboeken der 18e eeuw komt het voor, en in het Hoogduitsch ook het eerst bij Opitz, zoodat het niet zeer waarschijnlijk is, dat wij aan deze beteekenis moeten denken. Ook heb ik gedacht aan de teertonnen, die bij feestelijke gelegenheden op staken gezet en aangestoken werden, doch dat past niet in 't verband , waar eerst gesproken wordt van de pijnbank, de komst der Spanjaarden , en daarna van het oprichten der galgen, van bloedvergieten , enz. Hiertusschen passen geen vreugdevuren, maar wel de brandstapel, waarvan de Spanjaarden nog al een ruim gebruik maakten. Dit alles overwegende, zal men moeten besluiten in den bovengenoemden zin een zeugma 2) te zien en bij vuur een werkwoord aan te vullen als aansteken of ontsteken. Marnix wil dan zeggen: de Spanjaarden staken het vuur in den mutserd en hieven het zwaard omhoog (ter onthoofding :), ten bewijze dat zij de baas waren geworden.

BI. 17, reg. : „in somma: uwe neersticheydt, uwe vlijt, uwen

i) Prof. J. Verdam deelde mij mede, dat hij opsteken in den zin van aansteken in de middeleeuwen nooit had aangetroffen.

4) Mnl. Synt. §524 en bijna elke bladzijde uit Hooft's Historiën, o.a. 629: keel en snaar en opsteeken, en Hooft's Gedichten II, 377:

'T volck te paerdt Dient oock bij een gerukt; om stal tot aen den morghen En 's vijands volleck op te houden.